Index: trunk/doc/LaTex/DAM - Functional Design/DAM-stappen.tex =================================================================== diff -u -r61 -r142 --- trunk/doc/LaTex/DAM - Functional Design/DAM-stappen.tex (.../DAM-stappen.tex) (revision 61) +++ trunk/doc/LaTex/DAM - Functional Design/DAM-stappen.tex (.../DAM-stappen.tex) (revision 142) @@ -1,111 +1,208 @@ \chapter{Gebruik van \dam in stappen}\label{sec:DAMinStappen} De eerste stap is het verzamelen van basisgegevens. Onder basisgegevens wordt de ruwe data uit landmeetkundig-, geohydrologisch- en grondmechanisch onderzoek verstaan. In de tweede stap wordt de data geschematiseerd en klaargezet voor de berekeningen. De schematisatie is sterk afhankelijk van de vraag. Daarnaast geldt hoe meer informatie aanwezig is, hoe nauwkeuriger de schematisatie. In de derde stap worden de berekeningen uitgevoerd. In de laatste stap vindt een analyse van de rekenresultaten plaats, waarna deze kan worden gevisualiseerd en gecommuniceerd. -\section{Verzamelen basisgevens}label{sec:Datamanagement} -Eis X \dam kan uit geografische bestanden (shapes) de invoer voor rekenkernels genereren. +Het stroomschema in DAM ziet er als volgt uit: +\begin{figure}[H] + \centering + \includegraphics[width=1\textwidth]{figuren/FC-nrs.png} + \caption{Stroomschema DAM-processen} + \label{fig:FC-nrs} +\end{figure} -\textit{{Toelichting}} +In het stroomschema zijn met de letters de verschillende stappen aangegeven. +Deze verschillende onderdelen worden in dit hoofdstuk besproken. + +\section{A: Verzamelen basisgevens}\label{sec:datamanagement} + +De structuur van \dam is gebaseerd op locaties op de dijk. De basis voor elke \dam project is daarom de opsomming van de locaties, zowel als punt (in RD-co\"ordinaten) als lijn (in RD-co\"ordinaten of lokale co\"ordinaten). De lijn is de hoogtegeometrie van de locatie. Op deze hoogtegeometrie dienen karakteristieke punten aan gegeven te worden. +De opbouw van deze databestanden is opgenomen in \autoref{sec:locaties} + +De invoergegevens voor geotechnische berekeningen zijn onder te verdelen in: +\begin{itemize} + \item Algemene gegevens (locatie, soort berekening, etc.) + \item Geometrie (oppervlaktelijn, aanwezigheid van damwanden, drainage, etc.) + \item Ondergrond (grondopbouw in laagscheidingen en sterkteparameters) + \item Hydraulische gegevens (buitenwaterstand, verloop van stijghoogten, etc) + \item Rekeninstellingen (bijvoorbeeld minimale glijcirkel, zonering) +\end{itemize} + +Buiten \dam dient de gebruiker de nodige gegevens klaar te zetten. De wijze waarop dit dient te gebeuren, valt buiten de scope van dit document. De opsomming van de (mogelijke) data dient wel vastgelegd te worden. Daarom is in bijlage \autoref{sec:databehoefte} een opsomming gegeven. + +\section {B: Importeren gegevens}\label{sec:importgegevens} +Voor het importeren van de gegevens kan wederom de volgende indeling worden gehanteerd: + +\begin{itemize} + \item Algemene gegevens (locatie, soort berekening, etc.) + \item Geometrie (oppervlaktelijn met karakteristieke punten, aanwezigheid van damwanden, drainage, etc.) + \item Ondergrond (grondopbouw in laagscheidingen en sterkteparameters) + \item Hydraulische gegevens (buitenwaterstand, verloop van stijghoogten, etc) + \item Rekeninstellingen (bijvoorbeeld minimale glijcirkel, zonering) +\end{itemize} + +Met uitzondering van de ondergrondgegevens, kunnen de overige gegevens op twee wijzen ge\"importeerd worden: middels GIS-bestanden of middels tabellen. +Het importeren van de ondergrondgegevens wordt daarom in een aparte paragraaf behandeld. + +\subsection{Importeren parameters}\label{sec:importparameters} + +Eis X \dam kan uit GIS-bestanden (shapes) de benodigde parameters genereren. + +\textit{Toelichting} Voor het uitvoeren van geotechnische berekeningen is een aanzienlijke hoeveelheid data nodig. Zo heeft elk model zijn eigen databehoefte. Binnen \dam 1.0, maar ook het Wettelijk toetsinstrumentarium (WTI) 2017, wordt uitgegaan dat het bronhouderschap van de data bij de waterkeringbeheerder. Het beheren van de gegevens gebeurt en zal naar verwachting steeds meer gebeuren in een Geografisch Informatiesysteem (GIS). Door alle gegevens centraal op te slaan en duidelijke uitwisselingsformaten tussen de verschillende applicaties in de vorm van Application Programming Interfaces (API's) voor te schrijven kunnen dezelfde (up to date) kerngegevens gebruikt worden voor de verschillende sporen binnen \dam, maar ook voor ander applicaties en processen bij waterkeringbeheerders. Hiermee wordt eenduidigheid gecre�erd in de uitgangspunten. \textit{Ondersteuning van handelingen} \dam maakt snapshot van actuele gegevens bij het desbetreffende waterschap. Met andere woorden, er wordt een kopie gemaakt van de actuele data en opgeslagen in de projectdatabase van \dam (*.damx). +Hoe dit snapshot wordt gemaakt, is uitgelegd in \autoref{sec:DatauitGis} +Hiervoor dient de locatie als punt \textit{en} als lijn (hoogtegeometrie) bekend te zijn. +Eis X \dam kan middels tabellen de benodigde parameters importeren. + +\textit{Toelichting} +Indien er geen GIS-bestanden beschikbaar zijn, is het mogelijk om de parameters middels tabellen te importeren in \dam. + \textit{Ondersteuning van handelingen} +De tabellen worden aan elkaar gekoppeld middels de locatienaam. +Per locatienaam kunnen verschillende parameters worden opgegeven in verschillende tabellen, in csv-formaat. +De kolomnamen van deze tabellen zijn gelijk aan de codenamen uit \autoref{sec:Databehoefte}. -\section{Schematiseren} -Het schematiseren voor geotechnische berekeneningen met betrekking tot dijken, bestaat uit het schematiseren van: -\begin{itemize} - \item de ondergrond (sterkte); in 1D of 2D. - \item de (hoogte) geometrie (sterkte) - \item de hydraulische omstandigheden (belasting) - \item overige belastingen (bijv. verkeersbelasting) -\end{itemize} +\subsection{Importeren ondergrondgevens}\label{sec:importondergrond} -Eis X \dam kan de ondergrondschematisatie overnemen uit D-Geo Stability bestanden (2D) (versie..... en later). +Eis X \dam kan een stochastisch ondergrondmodel inlezen. \textit{Toelichting} -Uit het bestanden worden alleen de hoogtegeometrie, de ligging van de ondergrondlagen en de sterkteparameters van de materialen overgenomen. Hydraulische en andere belastingsgegevens worden niet meegenomen. +Voor de stochastische ondergrondschematisatie van dijken wordt het dijktraject opgedeeld in (ondergrond)segmenten. Voor elk \faalmechanisme apart. +Per segment wordt de ondergrond weergegeven door (ondergrond)scenario's. Een (ondergrond)scenario beschrijft de laagopbouw en heeft een kans van aantreffen. Elke laag wordt omschreven aan het hand van het aanwezige materiaal met bijbehorende sterkte parameters. +\begin{figure}[H] + \centering + \includegraphics[width=1\textwidth]{figuren/OpbouwSOS.PNG} + \caption{Onderdelen van stochastisch ondergrond schematisatie} + \label{fig:OpbouwSOS} +\end{figure} + \textit{Ondersteuning van handelingen} -De gebruiker kan aangeven in welke segmenten de betreffende 2D geometrie geldend is. +De ligging van de segmenten wordt ge\"importeerd door een GIS-bestand in RD-co�rdinaten in te lezen. +De opbouw van de segmenten wordt ge\"importeerd middels een tabel met (per segment) de profielnamen en de kans van aantreffen en het \faalmechanisme (mogelijk: macrostabiliteit, piping). +Voor de profielen wordt onderscheid gemaakt in 1D- en 2D-profielen: +De laagopbouw kan bestaan uit horizontale lagen (zogenoemde 1D-profiel) of schuine lagen (zogenoemde 2D-profiel). +Het 1D-profiel kent geen grenzen in het horizontale vlak (X-waarde) alleen in de hoogte (Z-waarde). Het 2D-profiel is begrensd; linkergrens is buitenwaarts, rechtergrens is binnenwaarts. Er kan sprake zijn van links en rechts omdat het 2D-profiel wordt weergegeven in lokale co�rdinaten. +Een 1D-ondergrond kan met een hoogtegeometrie gecombineerd worden tot een 2D-ondergrond. Hiervoor dient de hoogtegeometrie omgerekend te worden tot lokale co�rdinaten. -Eis X \dam kan 1D ondergrondschematisaties combineren met een hoogtegeometrie tot een 2D schematisatie. +Eis X \dam kan de (ondergrond)schematisatie overnemen uit D-Geo Stability bestanden (2D) (versie..... en later). -\textit{{Toelichting}} -Een 1D geometrie is een beschrijving van de diepte van de horizontale lagen, waarbij de lagen de materiaalnamen bevatten. Door deze te combineren met een hoogtegeometrie, waarbij de hoogtegeometrie de bovenkant vormt van de bovenste laag, wordt een 2D geometrie gecre\"erd. +\textit{Toelichting} +Uit het sti-bestand wordt de hoogtegeometrie, de ligging van de ondergrondlagen en de sterkteparameters van de materialen overgenomen. Hydraulische en andere belastingsgegevens worden niet meegenomen. +Opmerking: dit geldt voor versie 17.1. Het is nog een openstaande kwestie hoe om te gaan met bestaande geschematiseerde waterspanningen. \textit{Ondersteuning van handelingen} -De gebruiker moet aan kunnen geven welk materiaal de bovenste laag gaat bevatten indien de bovenkant van de 1D geometrie onder het hoogste punt van de hoogtegeometrie ligt. +De ge�mporteerde 2D-geometrie wordt als een ondergrondscenario beschouwd en kan of rechtstreeks gekoppeld aan een locatie. De kans van aantreffen is dan van 100\%. Of de 2D-geometrie wordt, gelijk aan de 1D-geometrie\"en opgenomen in het stochastisch ondergrondmodel. +\section {C Analyse kiezen}\label{analyse kiezen} +Na het importeren van de gegevens kan de gebruiker kiezen tussen de te volgen workflows, opties in het stroomschema. +Opmerking: in \dam 15.2.1 dient de gebruiker als eerste het type analyse te kiezen, dus voor de import. -Eis X \dam is in staat om de waterspanningen te schematiseren, conform het Technisch rapport waterspanningen bij dijken. De vertaling van dit TR naar concrete schematiseringsregels is opgenomen in \autoref {sec:schema_wsp}. +Eis X De gebruiker van \dam kan vari\"eren tussen de twee opties van het stroomschema. waarbij voor workflow 1 nu alleen 1a beschikbaar is; 'toetsing regionale keringen'. +Opmerking: Workflow 1 is in \dam 15.2.1. beschikbaar door voor 'ontwerp' te kiezen en de geometrieaanpassing uit te zetten'. Dit FO beschrijft de gewenste functionaliteit, aangezien de GUI niet wordt aangepast tijdens de herstructurering zal deze huidige werkwijze geldend blijven; doelzoeken met de optie 'geometrieaanpassing uit zetten'. -\textit{{Toelichting}} -\dam schematiseert de waterspanningen in twee stappen: + +\section {D1 Sterkte analyse}\label{sec:sterkteanalyse} +Workflow 1: Eis X Bij workflow 1 kan de gebruiker de berekeningen vari\"eren: +Deze variatie kan bestaan uit: + \begin{enumerate} - \item Bepalen waterspanningen: freatische lijn, stijghoogte in zandlagen en waterspanningenverloop over de diepte; - \item Bepalen opdrijfveiligheid en eventueel aanpassen stijghoogte. + \item verschillende hydraulische belastingen + \item verschillende geometri\"en + \item verschillende ondergronden + \item verschillende sterkteparameters \end{enumerate} -Indien opdrijven optreedt, wordt de stijghoogte in het zand aangepast totdat er juist geen opdrijven optreedt. +Workflow 1a wordt in hoofdstuk \autoref{sec:toetsregkering} behandeld. +\section {D2 Doelzoeken}\label{sec:doelzoeken} +Onderdeel E2 Eis X Bij workflow 2 kan de gebruiker de variabele voor het doelzoeken aanwijzen. De gegeven waarde voor het doelzoeken is de evenwichtsfactor. +De mogelijke variabelen zijn voor dijken-stabiliteit: +- +\begin{enumerate} + \item geometrie - dijkhoogte + \item geometrie - talud (verflauwing of bermontwikkeling) + \item geometrie - ontgraving + \item hydraulische gegevens - buitenwaterstand +\end{enumerate} -\textit{Ondersteuning van handelingen} +\section{E1: Rekenscenario kiezen}\label{rekenscenariokiezen} -De gebruiker moet visueel inzicht krijgen in de geschematiseerde waterspanningen. +\section{E2: Doelbepaling en kiezen variabele}\label{doelzoeken} -\section{Rekenen} -\begin{itemize} -\item Macrostabiliteit + +Het schematiseren voor geotechnische berekeneningen met betrekking tot dijken, bestaat uit het schematiseren van: \begin{itemize} -\item Bishop + \item de ondergrond; in 1D of 2D. + \item de (hoogte) geometrie + \item de hydraulische omstandigheden + \item overige belastingen (bijv. verkeersbelasting) +\end{itemize} +Eis X \dam kan 1D ondergrondschematisaties combineren met een hoogtegeometrie tot een 2D schematisatie. -\item Bishop met stochastisch ondergrondmodel +\textit{{Toelichting}} +Een 1D geometrie is een beschrijving van de diepte van de horizontale lagen, waarbij de lagen de materiaalnamen bevatten. Door deze te combineren met een hoogtegeometrie, waarbij de hoogtegeometrie de bovenkant vormt van de bovenste laag, wordt een 2D geometrie gecre\"erd. -\item Bishop probabilistisch +\textit{Ondersteuning van handelingen} +De gebruiker moet aan kunnen geven welk materiaal de bovenste laag gaat bevatten indien de bovenkant van de 1D geometrie onder het hoogste punt van de hoogtegeometrie ligt. -\item Bishop probabilistisch met stochastisch ondergrondmodel -\item LiftVan +\section{F: Genereren kernel invoer}\label{sec:kernelinvoer} +\dam 15.2 is aangesloten op de volgende rekenkernels: -\item LiftVan met stochastisch ondergrondmodel +\begin{table}[H] + \begin{tabular}{|l|l|l|l|l|} + \hline +\textbf{Faalmechanisme} & \textbf{Versie} & \textbf{Functioneel ontwerp -\newline invoeromschrijving} & \textbf{Model} & \textbf{Opmerking}\\ \hline +Macrostabiliteit & Delphis kernel & ? & Bishop & -\\ \hline +Macrostabiliteit & Delphis kernel & & UpLiftvan & -\\ \hline +Macrostabiliteit & Delphis kernel & & Horizontaal evenwicht & -\\ \hline +Macrostabiliteit & Delphis kernel & & Zoneringstype & ?\\ \hline +Macrostabiliteit & Delphis kernel & & Verboden zone & In dam of kernel?\\ \hline +Piping & ? & ? & Sellmeijer 4-krachten & -\\ \hline +Piping & ? & ? & Neuraal netwerk & -\\ \hline +Piping & ? & ?& Bligh & mag komen te vervallen\\ \hline +\hline + \end{tabular} + \caption{Overzicht rekenkernels \dam 15.2} + \label{fig:rekenkernelsdam15} +\end{table} -\item LiftVan probabilistisch +Naast de invoer voor de kernels, kent \dam ook zijn 'eigen' invoer; parameters om de aansturing van de kernels te regelen. Bijvoorbeeld bij workflow 2; hoe moet het doelzoeken plaatsvinden? -\item LiftVan probabilistisch met stochastisch ondergrondmodel -\item Horizontaal evenwicht -\end{itemize} +Eis X \dam is in staat om de waterspanningen te schematiseren, conform het Technisch rapport waterspanningen bij dijken. De vertaling van dit TR naar concrete schematiseringsregels is opgenomen in \autoref {sec:schema_wsp}. -Het gebruikte rekenmodel voor de bepaling van de binnenwaartse stabiliteit is afhankelijk van de opdrijffactor. Dit is de verhouding tussen de opwaartse waterdruk vanuit de watervoerende zandlaag en de neerwaartse druk door het gewicht van het slappe lagenpakket. Indien de opdrijffactor kleiner is dan 1,2 dient de stabiliteit volgens de methode LiftVan (drukstaaf) te worden bepaald. Bij een opdrijffactor hoger dan 1,2 kan worden volstaan met een Bishop analyse. +\textit{{Toelichting}} +\dam schematiseert de waterspanningen in twee stappen: +\begin{enumerate} + \item Bepalen waterspanningen: freatische lijn, stijghoogte in zandlagen en waterspanningenverloop over de diepte; + \item Bepalen opdrijfveiligheid en eventueel aanpassen stijghoogte. +\end{enumerate} +Indien opdrijven optreedt, wordt de stijghoogte in het zand aangepast totdat er juist geen opdrijven optreedt. +\textit{Ondersteuning van handelingen} -\item Piping +Eis X \dam is in staat om de waterspanningen te schematiseren, conform de waternet creator uit de WTI kernel Macrostabiliteit. -\begin{itemize} -\item Sellmeijer -\item Sellmeijer 2 lagenmodel +\section{G: Sterkteberekening}\label{sec:sterkteberekening} -\item Sellmeijer met stochastisch ondergrondmodel -\end{itemize} -\item Overslag +\section{J: Aanpassing van de invoer}\label{sec:aanpassinginvoer} -\begin{itemize} -\item Erosie grasmat volgens CIRIA grafieken -\end{itemize} -\end{itemize} +\section{H1:Analyse resultaat berekening}\label{sec:resultaatberekening} +Het resultaat van een geotechnische berekening kan bestaan uit een evenwichtsfactor (workflow 1) of een 'ontwerp' als resultaat van doelzoek-berekeningen. -\section{Analyse resultaten} - Communicatie van de analyseresultaten kan op verschillende wijze plaatsvinden. De resultaten kunnen, afhankelijk van het doel worden: \begin{enumerate} @@ -117,3 +214,6 @@ \item ander communicatieplatform in onderling overleg te bepalen \end{enumerate} + + +\section{H1:Analyse resultaat aangepaste berekening}\label{sec:resultaataangepasteberekening} \ No newline at end of file Index: trunk/doc/LaTex/DAM - Functional Design/DAM-Functioneel ontwerp.tex =================================================================== diff -u -r61 -r142 --- trunk/doc/LaTex/DAM - Functional Design/DAM-Functioneel ontwerp.tex (.../DAM-Functioneel ontwerp.tex) (revision 61) +++ trunk/doc/LaTex/DAM - Functional Design/DAM-Functioneel ontwerp.tex (.../DAM-Functioneel ontwerp.tex) (revision 142) @@ -1,53 +1,63 @@ \documentclass[dutch]{deltares_report} -\usepackage{layout} -\usepackage{import} -\usepackage{eso-pic} -\usepackage[pdftex]{graphicx} -\usepackage{rotating} -\usepackage{lscape} -\usepackage{wasysym} -\usepackage{pifont} -\usepackage{multirow} -\usepackage[english]{babel} -\usepackage[toc,page,titletoc]{appendix} -\usepackage{pdflscape} -\usepackage[document]{ragged2e} \newcommand{\dgeostability}{\scalebox{.9}[1.0]{\textsc{D\nobreakdash-Geo~Stability}} } \newcommand{\macrostability}{Macro-Stability kernel } \newcommand{\dam}{DAM } \newcommand{\damlive}{DAMLive } +\newcommand{\dsoilmodel}{D-Soil Model } +\newcommand{\faalmechanisme}{faalmechanisme } +\usepackage{multirow} + \begin{document} -\title{DAM} -\subtitle{Functioneel ontwerp} -\authors{Irene van der Zwan} -\date{januari 2017} +\title{DAM - Functioneel ontwerp} +\subtitle{} +\reference{1221575-002-GEO-0001} +\projectnumber{1221575} + +\authori{Irene van der Zwan} +\datei{januari 2017} \client{DAM Begeleidingscommissie} +\classification{} \keywords{DAM Dijksterkte Analyse Module} -\references{report references} +\references{....} +\projectnumber{1221575} + + \summary{ first paragraph second paragraph third paragraph } +\versioni{0.1} +\revieweri{Kin Sun Lam} +\ref{sec:schema_wsp}\approvali{Maya Sule} + +\status{concept} +\disclaimer{} \version{0.1} -\reviewer{Kin Sun Lam} -\approval{Maya Sule} +\date{januari 2017} - \deltarestitle %------------------------------------------------------------------------------ \include{Inleiding} \include{Dam-stappen} \include{Dam-vragen} \include{NFR} +\include{DAMToekomst} \include{Kwestie} %------------------------------------------------------------------------------ -\end{document} +\appendix\chapter*{Bijlagen} \addcontentsline{toc}{chapter}{Bijlagen} +\include{Databehoefte} +\include{DatauitGis} +\include{Waterspanningen} + + + +\end{document} \ No newline at end of file Index: trunk/doc/LaTex/DAM - Functional Design/DatauitGis.tex =================================================================== diff -u --- trunk/doc/LaTex/DAM - Functional Design/DatauitGis.tex (revision 0) +++ trunk/doc/LaTex/DAM - Functional Design/DatauitGis.tex (revision 142) @@ -0,0 +1,43 @@ +\chapter {Data uit GIS-bestanden}\label{sec:DatauitGis} + +\dam kan de benodigde parameters uit GIS-bestanden geneneren. +Dit gebeurt middels de volgende stappen: +\begin{enumerate} + \item Gebruiker heeft een GIS bestand met locaties (punten) + \item Gebruiker heeft een bestand met hoogtegeometri\"en in RD-co�rdinaten. + \item Gebruiker geeft per parameter aan in welk bestand deze staat en welke attribuut naam deze heeft + \item \dam zoekt per locatie de bijbehorende parameters en gebruikt hiervoor:\newline + -de locatie bij vlakkenshapes\newline + -het snijpunt van de hoogtegeometrie en de lijnenshape +\end{enumerate} + +Ad 1 De eisen aan dit GIS bestand met locaties (punten): +\textit{nader in te vullen} + +Ad 2 De eisen aan dit bestand met hoogtegeometri\"en: +\textit{nader in te vullen} + +Ad 3 Ontwerp van werkwijze aangeven parameters in GIS-bestanden +\textit{nader in te vullen} + +Ad 4 Methode van \dam om parameters uit GIS-bestand te halen: + +Indien de parameter is weergegeven in een vlakkenbestand, is de locatie bepalend voor de parameter bepaling, zie \autoref {fig:locatie_vlakshape}. + +\begin{figure}[H] + \centering + \includegraphics[width=1\textwidth]{figuren/locatie_vlakshape.png} + \caption{Het vlak uit het shapebestand, waarin de locatie ligt, bepaalt de parameterwaarde} + \label{fig:locatie_vlakshape} +\end{figure} + +Indien de parameter is weergegeven in een lijnenbestand, is het snijpunt van de hoogtegeometrie en de lijn uit het GIS-bestand bepalend voor de parameter bepaling, zie \autoref{fig:locatie_vlakshape}, zie \autoref{fig:hoogtegeometrie_lijnshape} + +\begin{figure}[H] + \centering + \includegraphics[width=1\textwidth]{figuren/hoogtegeometrie_lijnshape.png} + \caption{Het snijpunt van de hoogtegeometrie en de lijn uit het shapebestand, bepaalt de parameterwaarde} + \label{fig:hoogtegeometrie_lijnshape} +\end{figure} + +Indien de parameter niet bepaald kan worden, wordt een melding gegeven en wordt, indien beschikbaar, een defaultwaarde genomen. \ No newline at end of file Index: trunk/doc/LaTex/DAM - Functional Design/Inleiding.tex =================================================================== diff -u -r61 -r142 --- trunk/doc/LaTex/DAM - Functional Design/Inleiding.tex (.../Inleiding.tex) (revision 61) +++ trunk/doc/LaTex/DAM - Functional Design/Inleiding.tex (.../Inleiding.tex) (revision 142) @@ -1,6 +1,6 @@ \chapter{Inleiding} -Het softwarepakket Dijksterkte Analyse Module (\dam) is sinds 2008 ontwikkeld binnen verschillende projecten van onder anderediverse waterschappen, STOWA en (ontwikkelings)programma's. Dit heeft in 2013 geleid tot \dam 1.0: een versie van \dam die voor iedereen binnen het waterkeringendomein te gebruiken is. De voordelen van \dam en de aanwezige functionaliteiten in \dam voor de waterkeringsprocessen hebben zich in de praktijk bewezen. Tegelijkertijd zien Deltares en de gebruikers veel mogelijkheden om \dam uit te breiden met nieuwe functionaliteiten, zoals aansluiten bij de ontwikkelingen van het Wettelijke Beoordelingsinstrumentarium 2017 (WBI2017). Maar ook in \damlive (de real-time variant van \dam voor operationele systemen, zoals monitoringssystemen) worden vele mogelijkheden gezien om de waterkeringsprocessen door middel van automatisering te ondersteunen. +Het softwarepakket Dijksterkte Analyse Module (\dam) is sinds 2008 ontwikkeld binnen verschillende projecten van onder andere diverse waterschappen, STOWA en (ontwikkelings-) programma's. Dit heeft in 2013 geleid tot \dam 1.0: een versie van \dam die voor iedereen binnen het waterkeringendomein te gebruiken is. De voordelen van \dam en de aanwezige functionaliteiten in \dam voor de waterkeringsprocessen hebben zich in de praktijk bewezen. Tegelijkertijd zien Deltares en de gebruikers veel mogelijkheden om \dam uit te breiden met nieuwe functionaliteiten, zoals aansluiten bij de ontwikkelingen van het Wettelijke Beoordelingsinstrumentarium 2017 (WBI2017). Maar ook in \damlive (de real-time variant van \dam voor operationele systemen, zoals monitoringssystemen) worden vele mogelijkheden gezien om de waterkeringsprocessen door middel van automatisering te ondersteunen. In 2017 wordt een herstructureringsslag gemaakt voor \dam. Hiertoe worden de 'Eisen en functioneel ontwerp' opgesteld, zodat de huidige functionaliteit aantoonbaar aanwezig is na de herstructurering. \section{Achtergrond}\label{sec:achtergrond} @@ -15,6 +15,24 @@ Deze vier stappen worden voor elke toepassing gezet. Voor toetsing, ten tijde van calamiteiten, voor beleidsvraagstukken en voor beheerszaken wordt veelal gebruik gemaakt van dezelfde basisgegevens en eventueel van dezelfde schematisaties. +Wanneer het schema van \autoref{fig:Sterkte_analyse_dijk} meer uitgewerkt wordt, zie het er als volgt uit: + +\begin{figure}[H] + \centering + \includegraphics[width=1\textwidth]{figuren/flowchart_proces_DAM.png} + \caption{Stroomschema DAM-processen} + \label{fig:stroomschemaDAM} +\end{figure} + +Waarbij de stappen die door de gebruiker worden gedaan, weergegeven door 'persoon' en de functionaliteit van de DAM wordt weergegeven met 'computer'. +Alle sterkteberekeningen zijn gebaseerd op de verhouding tussen de sterkte en de belasting. Hierbij zijn twee workflows: +\begin{enumerate} + \item Sterkte analyse; belasting en sterkte zijn bekend; evenwichtsfactor wordt uitgerekend + \item Doelzoeken; bij een gegeven evenwichtsfactor en een variabele van de invoer, wordt een variabele gevonden, waarbij de evenwichtsfactor gehaald wordt. +\end{enumerate} + +Het toetsen van regionale keringen is een bijzondere uitwerking van de eerste optie, waarbij de stap van het vaststellen van de rekenscenario's ondersteund/uitgevoerd wordt door \dam. + \section{Doelstellingen} \dam dient bovenstaande stappen te faciliteren op zodanige wijze dat de stappen reprocuceerbaar zijn en de stappen voor andere toepassingen met minder inspanning gezet kunnen worden. @@ -29,5 +47,14 @@ Na herstucturering dient dit onderliggende document regelmatig geactualiseerd te worden tijdens de verder ontwikkeling van \dam. Met dit document kunnen stakeholders dan controleren of de beoogde nieuwe functionaliteiten naar hun wensen zijn en of deze functionaliteit bereikt wordt (acceptatie testen). -De functionaliteit wordt omschreven in zowel de stappen (\autoref{sec:DAMinStappen}), als de type vraagstellingen (\autoref{sec:DAMpervraag}), beiden genoemd in \autoref{sec:achtergrond}. Daarnaast komen ook de ontwerpen van de schermen (\autoref{sec:schermen}) en de niet-functionele eisen aan de orde, zie \autoref{sec:niet-functionele eisen}. -Omdat tijdens het opstellen van dit document en ook in de verdere ontwikkeling van \dam, mogelijk nog niet alle issues te plaatsen zijn, is er een \autoref{sec:openstaandekwesties} opgenomen. Hier kunnen zaken in worden opgenomen, waarover nog besloten moet worden of zijn binnen de scope van \dam vallen en zo ja, welke uitwerking verder nodig is. \ No newline at end of file +De functionaliteit wordt omschreven in zowel de stappen (\autoref{sec:DAMinStappen}), als de type vraagstellingen (\autoref{sec:DAMpervraag}), beiden genoemd in \autoref{sec:achtergrond}. Daarnaast komen ook de niet-functionele eisen aan de orde, zie \autoref{sec:niet-functionele eisen}. Omdat voor de architectuur van belang is welke toekomstige ontwikkelingen voorzien zijn voor \dam, zijn deze opgenomen in \autoref{sec:DAMtoekomst}) +Omdat tijdens het opstellen van dit document en ook in de verdere ontwikkeling van \dam, mogelijk nog niet alle issues te plaatsen zijn, is er een \autoref{sec:openstaandekwesties} opgenomen. Hier kunnen zaken in worden opgenomen, waarover nog besloten moet worden of zijn binnen de scope van \dam vallen en zo ja, welke uitwerking verder nodig is. + +\subsection*{Overige documenten} +In een visiedocument wordt beschreven wat de filosofie achter DAM is en wat er binnen de scope van DAM valt. + +In een architectuurdocument wordt de samenhang van de verschillende componenten van \dam weergegeven. + +Naast dit functioneel ontwerp voor DAM, wordt ook een functioneel ontwerp opgesteld voor een GUI van DAM. Hierin wordt omschreven welke functionaliteit van de GUI wordt verwacht, evenals een ontwerp van de schermen. + + Index: trunk/doc/LaTex/DAM - Functional Design/Waterspanningen.tex =================================================================== diff -u --- trunk/doc/LaTex/DAM - Functional Design/Waterspanningen.tex (revision 0) +++ trunk/doc/LaTex/DAM - Functional Design/Waterspanningen.tex (revision 142) @@ -0,0 +1,123 @@ +\chapter{Schematiseren waterspanningen}\label{sec:schema_wsp} + +Voor de generatie van de waterspanningen maakt \dam gebruik van een aantal stappen: +\begin{enumerate} + \item Schematisatie freatisch vlak (zie \autoref{sec:frea-vlak}). + \item Initi�le schematisatie stijghoogtes (zie \autoref{sec:ini_stijghoogten}). + \item Controle op opdrijven (zie \autoref{sec:contr_opdrijf}). + \item Definitieve schematisatie waterspanningen (zie \autoref{def_wsp}). +\end{enumerate} + +\section{Schematisatie freatisch vlak}\label{sec:frea-vlak} +In \dam zijn twee verschillende methoden beschikbaar om de ligging van het freatisch vlak te schematiseren: +\begin{enumerate} + \item ExpertKnowledgeRRD + \item ExpertKnowledgeLinearInDike +\end{enumerate} + +De schematisatiewijze is door de gebruiker op te geven (attribuut: PLLineCreationMethod) en is binnen \dam te wijzigen om zo (bijvoorbeeld) het effect van de verschillende schematisatie keuzes op de berekeningsresultaten te onderzoeken. De schematisatie wijze, als wel de bijbehorende waardes, zijn op locatieniveau te defini�ren. + +Binnen \dam wordt het freatisch vlak aangeduid als Pi�zometrische Lijn 1 (PL1). + +\subsection {ExpertKnowledgeRRD} +Bij de expertKnoledgeRDD methode wordt de ligging van het freatisch vlak vastgelegd ter plaatse van (maximaal) 6 punten, A tot en met F. Deze locaties zijn weergegeven in \autoref{fig:PL1_RRD}. De hoogteligging van het freatisch vlak wordt gedefinieerd door het opgeven van een aantal verticale offsets ten opzichte van de buitenwaterstand of maaiveld ligging. In Tabel 4.1 is per punt weergegeven hoe deze bepaald/vastgelegd wordt. Tussen de punten wordt de ligging van het freatisch vlak bepaald met behulp van lineaire interpolatie. + +\begin{figure}[H] + \centering + \includegraphics[width=0.5\textwidth]{figuren/PL1_RRD.png} + \caption{Schematisatie freatisch lijn (PL1) binnenwaartste stabiliteit bij gebruik ExpertKnowledgeRRD} + \label{fig:PL1_RRD} +\end{figure} + + +\begin{table}[H] + \centering + \begin{tabular}{ |p{25mm} |p{100mm} |} + \hline +\textbf{Punt} & \textbf{Hoogteligging bepaald door} \\ \hline +\textit{A} & Snijpunt van de buitenwaterstand met het buitentalud \\ \hline +\textit{B} & Buitenwaterstand en opgegeven offset \\ \hline +\textit{C} & Buitenwaterstand en opgegeven offset \\ \hline +\textit{D} & Hoogteligging maaiveld ter plaatse van insteek binnenberm en opgegeven offset\\ \hline +\textit{E} & Hoogteligging maaiveld ter plaatse van binnenteen en opgegeven offset\\ \hline +\textit{F} & Snijpunt polderpeil met teensloot (automatisch bepaald) \\ \hline + + \end{tabular} + \caption{Parameters per schematisatie-punt voor het verloop van de freatische lijn binnen de schematisatie optie ExpertKnowledgeRRD} + \label{tab:ParametersRRD} +\end{table} + +Verlagingen ten opzichte van het referentiepunt/vlak worden uitgedrukt met een positieve waarde. Voor het schematiseren van een opbolling dient de offset opgegeven te worden als een negatief getal. + +Indien de freatische lijn uit het talud treedt, dient het maaiveld gevolgd te worden voor het verdere verloop van de freatische lijn, met een verlaging van 1 cm. +In het geval geen berm aanwezig is wordt punt D overgeslagen. In het geval er geen sloot aanwezig is wordt het maaiveld aan de binnenzijde (vanaf punt E) gevolgd met een verlaging van 1 cm. \ + +\dam controleert op de volgende gevallen: +\begin{itemize} + \item polderpeil > Z-waarde van punt D en/of E ; aanpassing van Z-waarde van punt D en/of E naar polderpeil + \item Z-waarde van punt D en/of E > Z-waarde van punt B en/of C; aanpassing van Z-waarde van punt D en/of E naar laagste Z-waarde punt B of C +\end{itemize} +NB: Punt C mag wel hoger liggen dan punt B. + +\section {Initi"ele schematisatie stijghoogtes}\label{sec:ini_stijghoogten} +\dam kan overweg met maximaal twee watervoerende lagen (aquifer). Daarnaast houdt \dam rekening met de zogenaamde �indringingslaag� (TAW, 2004). Deze optie werkt vooralsnog alleen bij 1D ondergrondprofielen. Als zonder indringingslaag gerekend moet worden, dan dient de waarde 0 opgegeven worden. + +\dam definieert de watervoerende lagen vanaf onder naar boven (richting maaiveld). Aan de onderste laag (altijd een watervoerende laag) wordt pi"ezolijn (PL) 3 toegekend (\autoref{fig:wsp_1WL}). De waterspanningen in de indringingslaag worden geschematiseerd met behulp van PL2. In het geval een watervoerende tussenlaag aanwezig is, dan wordt hier PL4 aan toe gewezen. Tabel \autoref{tab:piezolijnen} geeft een overzicht van de verschillende pi"ezolijnen en bijbehorende schematisatie. + + +\begin{table}[H] + \centering + \begin{tabular}{ |p{25mm} |p{100mm} |} + \hline +\textbf{P"'iezolijn} & \textbf{Omschrijving} \\ \hline +\textit{PL1} & Freatische lijn. Voor stabiliteitsberekeningen met stationair freatisch vlak. De \dam schematisatie van PL1 wordt beschreven in \autoref{sec:frea-vlak}\\ \hline +\textit{PL2} & De waterspanning aan de bovenkant van de indringingszone. De PL2 wordt niet be�nvloedt door de stijghoogte in het onderliggende watervoerende pakket en is constant (geen demping) over de gehele breedte van het dwarsprofiel. De waarde van PL2 wordt door de gebruiker ingevoerd (attribuut: HeadPL2), evenals de dikte van de indringingslaag. DAM 1.0 gebruikt alleen de PL2 als de laagdikte van de indringingslaag >0 m. \newline +Note: momenteel is het gebruik van PL2 nog gelimiteerd tot 1D-Ondergrondprofielen. + \\ \hline +\textit{PL3} & Waterspanning in de onderste watervoerende laag. De waarde kan opgegeven worden (attribuut: HeadPL3). Als er geen waarde opgegeven is dan wordt PL3 gelijkgesteld aan de buitenwaterstand opgegeven in de scenario�s.\newline +Ter plaatse van de binnenteen (zie \autoref{fig:dempingfactor}) hangt de waarde van PL3 af van de opgegeven dempingsfactor (attribuut: DampingPL3). Deze dempingsfactor, waarbij 0 betekent geen demping (PL3 is constant). De waarde 1 suggereert volledige demping tot PL2 (attribuut: PL2). Als PL2 niet opgegeven is, dan wordt voor PL2 de polderwaterstand gebruikt (attribuut: PolderLevel). Na de binnenteen reduceert de PL3 tot polderpeil onder een op te geven helling (attribuut: SlopeDampingPiezometricHeightPolderSide). Daarna loopt de PL3 gelijk met polderpeil. De helling van deze PL reductie kan worden opgegeven. De default waarde is 0. Dit betekent dat er geen reductie plaatsvindt. + \\ \hline +\textit{PL4} & Waterspanning in een watervoerende tussenlaag (indien aanwezig). De schematisatie van PL4 is analoog aan hetgeen beschreven onder PL3. Echter met dien verstande dat overal waar PL3 staat dit vervangen moet worden door PL4.\newline +Note: Zowel PL3 en PL4 gebruiken dezelfde helling voor de reductie van de PL lijn aan de polderzijde.\\ \hline + + \end{tabular} + \caption{Overzicht en beschrijving pi"ezolijnen binnen \dam} + \label{tab:piezolijnen} +\end{table} + + +\begin{figure}[H] + \centering + \includegraphics[width=1\textwidth]{figuren/wsp_1WL.png} + \caption{Schematisatie van waterspanningen in de situatie van \'e\'en watervoerende laag} + \label{fig:wsp_1WL} +\end{figure} + + +\begin{figure}[H] + \centering + \includegraphics[width=1\textwidth]{figuren/dempingfactor.png} + \caption{Gebruik van dempingsfactor (f) en reductie pi\"ezolijn aan de polderzijde (X) voor schematisatie horizontaal stijghoogteverloop} + \label{fig:dempingfactor} +\end{figure} + + +\section {Controle op opdrijven}\label{sec:contr_opdrijf} +Vanaf de binnenteen tot midden slootbodem, wordt door \dam berekeningen gemaakt of er opdrijven optreedt. Hiervoor wordt de formule uit het VTV (2006) gebruikt en de initi�le schematisatie van de stijghoogten (zie \autoref{sec:ini_stijghoogten})\newline + +\begin{equation} +\label{eq_opdrukveiligheid} + opdrukveiligheid = \frac{\sigma_g}{\sigma_w} +\end{equation} + +Als er geen sloot aanwezig is, worden de berekeningen tot de grens van het dwarsprofiel uitgevoerd. Indien er opdrijven wordt berekend, reduceert \dam de PL3 of PL4 naar een waarde waarbij opdrijven net niet meer optreedt, of te wel labiel evenwicht (zie \autoref{fig:redPL}) + +\begin{figure}[H] + \centering + \includegraphics[width=1\textwidth]{figuren/redPL.png} + \caption{Reductie stijghoogte bij opdrijven. \dam controleert van de binnenteen tot het einde van het profiel op opdrijven en past daarop de stijghoogte aan tot labiel evenwicht} + \label{fig:redPL} +\end{figure} + +\section {Definitieve schematisatie waterspanningen}\label{def_wsp} +Op basis van de initi\"ele generatie van de waterspanningen en controle op opdrijven wordt de definitieve schematisatie van de waterspanningen aangemaakt. Hierbij wordt in horizontale richting lineair ge\"interpoleerd tussen de verschillende (berekende) knikpunten in de PL lijnen. Index: trunk/doc/LaTex/DAM - Functional Design/DAM-vragen.tex =================================================================== diff -u -r61 -r142 --- trunk/doc/LaTex/DAM - Functional Design/DAM-vragen.tex (.../DAM-vragen.tex) (revision 61) +++ trunk/doc/LaTex/DAM - Functional Design/DAM-vragen.tex (.../DAM-vragen.tex) (revision 142) @@ -2,7 +2,7 @@ Voor het uitvoeren van een analyse van de dijksterkte kunnen vier hoofdstappen worden onderscheiden. Deze stappen worden altijd, onafhankelijk van het type vraag, doorlopen. De vier stappen zijn in hoofdstuk \autoref{sec:DAMinStappen} aan de orde komen. In dit hoofdstuk worden de type vragen behandeld; toetsing regionale keringen, geometrieaanpassing voor beleidsvraagstukken en configuratie voor \damlive ten behoeve van calamiteiten en monitoring. -\section{Toetsing regionale keringen} +\section{Toetsing regionale keringen}\label{sec:toetsregkering} Voor het toetsen van regionale keringen dient een toetsscenarioanalyse wordt uitgevoerd om te beoordelen welke verschillende belastingssituaties van toepassing zijn voor een dijktraject, gegeven een aantal lokale randvoorwaarden. Deze toetsscenarioanalyse module volgt de toetsingscriteria die in de Leidraad toetsen op veiligheid Regionale Keringen [LTVRK] worden gesteld met betrekking tot het al dan niet meenemen van de belastingssituaties 'Hydraulische kortsluiting' en 'droogte'. Als gevolg van deze criteria is voor het toetsspoor Macro Stabiliteit Binnentalud (STBI) een aantal aspecten van belang waaronder: @@ -12,7 +12,7 @@ \item optreden van opdrijven. \end{itemize} -Daarnaast moet onderscheid worden gemaakt tussen droge en natte omstandigheden. Per bodemopbouw en dwarsprofiel moet worden nagegaan welke aspecten van toepassing zijn en dus welke RRD scenario�s moeten worden beoordeeld. +Daarnaast moet onderscheid worden gemaakt tussen droge en natte omstandigheden. Per bodemopbouw en dwarsprofiel moet worden nagegaan welke aspecten van toepassing zijn en dus welke RRD scenario's moeten worden beoordeeld. Voor natte omstandigheden wordt gebruik gemaakt van het toetspeil (Attribuut: bp\_tp) en voor droge omstandigheden wordt het hoog boezempeil gebruikt (Attribuut: bp\_hbp). @@ -35,29 +35,29 @@ 11 & Droog & Ja/Nee & Ja & Piping\\ \hline \end{tabular} - \caption{Overzicht toetsscenario\'s binnen \dam 1.0} + \caption{Overzicht toetsscenario's binnen \dam 1.0} \label{fig:overzicht toetsscenarios} \end{table} -Voor de selectie van de toe te passen toetsscenario�s, leidt dit tot de schema�s weergegeven in \autoref{fig:ScenariosKleiZand}, \autoref{fig:ScenariosVeen} en \autoref{fig:HydrauKort}. +Voor de selectie van de toe te passen toetsscenario's, leidt dit tot de schema's weergegeven in \autoref{fig:ScenariosKleiZand}, \autoref{fig:ScenariosVeen} en \autoref{fig:HydrauKort}. \begin{figure}[H] \centering - \includegraphics[width=0.5\textwidth]{figuren/ScenariosKleiZand.PNG} + \includegraphics[width=1\textwidth]{figuren/ScenariosKleiZand.PNG} \caption{Toetsscenarioselectie schema voor klei en zand kades.} \label{fig:ScenariosKleiZand} \end{figure} \begin{figure}[H] \centering - \includegraphics[width=0.5\textwidth]{figuren/ScenariosVeen.PNG} + \includegraphics[width=1\textwidth]{figuren/ScenariosVeen.PNG} \caption{Toetsscenarioselectie schema voor droogte gevoelige kades} \label{fig:ScenariosVeen} \end{figure} \begin{figure}[H] \centering - \includegraphics[width=0.5\textwidth]{figuren/HydrauKort.PNG} + \includegraphics[width=1\textwidth]{figuren/HydrauKort.PNG} \caption{Bepaling Hydraulische kortsluiting} \label{fig:HydrauKort} \end{figure} @@ -66,45 +66,167 @@ De droge situatie is niet maatgevend boven de natte situatie als er geen sprake is van een veenkade of hydraulische kortsluiting. Verder geldt dat als hydraulische kortsluiting mogelijk is, dit scenario altijd maatgevend is boven het scenario zonder hydraulische kortsluiting. -Opgemerkt wordt dat de scenario�s allemaal betrekking hebben op het toetsspoor STBI (macrostabiliteit binnenwaarts). De scenario�s geven een belastingsituatie aan welke, gegeven een aantal randvoorwaarden, kunnen ontstaan. Bij opdrijven leidt dit in deze studie zelfs tot een ander rekenmodel (UpliftVan in D-Geostability) waarmee de beoordeling wordt uitgevoerd. Omdat de aanleiding van de instabiliteit niet vaststaat, dienen alle mogelijke scenario�s te worden getoetst. Er is geen maatgevende aanleiding voor een instabiliteit. +Opgemerkt wordt dat de scenario's allemaal betrekking hebben op het toetsspoor STBI (macrostabiliteit binnenwaarts). De scenario's geven een belastingsituatie aan welke, gegeven een aantal randvoorwaarden, kunnen ontstaan. Bij opdrijven leidt dit in deze studie zelfs tot een ander rekenmodel (UpliftVan in D-Geostability) waarmee de beoordeling wordt uitgevoerd. Omdat de aanleiding van de instabiliteit niet vaststaat, dienen alle mogelijke scenario's te worden getoetst. Er is geen maatgevende aanleiding voor een instabiliteit. Eis X \dam dient te bepalen welke toetsscenario's doorgerekend moeten worden. Het voldoen aan deze requirement wordt aangetoond door: -\section{Geometrie aanpassing (Ontwerp)} +\section{Doelzoeken: Geometrie aanpassing (Ontwerp)} \label{sec:geometrieaanpassing} Ten behoeve van beleidsstudies of het vaststellen van de invloedsgrenzen, of noodmaatregelen kan het handig zijn om een profiel te kunnen genereren die voldoet aan opgegeven veiligheidsfactor. REQ \dam maakt automatisch profielaanpassingen, op basis van de volgende stappen: +\begin{enumerate} + \item Kruinverhoging (zie \autoref{sec:Kruinverhoging} + \item Taludverflauwing (zie \autoref{sec:Taludverflauwing}) + \item Bermontwikkeling (zie \autoref{sec:Bermontwikkeling}) +\end{enumerate} -1. Kruinverhoging (zie \autoref{sec:Kruinverhoging} -2. Taludverflauwing (zie \autoref{sec:Taludverflauwing}) -3. Bermontwikkeling (zie \autoref{sec:Bermontwikkeling}) +\subsection{Rekenmodellen voor geometrieaanpasssing} \label{sec:rekenmodellen_geometrieaanpassing} +\dam kan de geometrieaanpassing voor zowel macrostabilteits- als pipingberekeningen toepassen. +\subsubsection{Piping} \label{geometrieaanpassingpiping} +Als gekozen wordt voor piping wordt eerst, indien nodig, de dijk verhoogd worden (zie \autoref{sec:Kruinverhoging). Vervolgens controleert \dam of opdrijven langs het profiel kan optreden. Hierbij wordt begonnen in de binnenteen, richting de polder. De maximale zoekruimte is beperkt tot de maximale pipinglengte bij een theoretische deklaagdikte van 0 meter en het bepaalde potentiaalverschil tussen de buitenwaterstand en de binnenwaartse ligging van het freatisch vlak (Lmax). -\subsec{Kruinverhoging} \label{sec:Kruinverhoging} +\begin{figure}[H] + \centering + \includegraphics[width=0.5\textwidth]{figuren/aanpassing_geometrie_piping.png} + \caption{Iteratieve bermontwikkeling bij piping} + \label{fig:aanpassing_geometrie_piping} +\end{figure} + +Als de opdrijfveiligheid in het beschouwde punt kleiner, of gelijk is aan de opgegeven veiligheidsfactor voor opdrijven (default 1,2), dan wordt voor deze uittreedlocatie een pipingsom gemaakt. Als de veiligheidsfactor voor piping lager is dan de opgegeven veiligheidsfactor voor piping dan wordt een berm aangemaakt, waarvan de hoogte (H_{berm}) dusdanig is dat exact voldaan wordt aan de opgegeven opdrijfveiligheidsfactor. Vervolgens wordt het volgende punt beschouwd. Deze locatie wordt bepaald aan de hand van de opgegeven bermstapgrootte. Op de locatie van het beschouwde punt wordt wederom gecontroleerd op opdrijven en piping. Als ook hier piping kan optreden wordt weer de benodigde hoogte (H) van de pipingberm bepaald. Deze hoogte wordt vergeleken met de eerder bepaalde hoogte (H_{berm}) van de pipingberm. Als de berekende bermhoogte (H) lager of gelijk ligt dan H_{berm}, dan blijft H_{berm}ongewijzigd. Als de berekende bermhoogte (H) hoger ligt dan H_{berm}, dan wordt H_{berm} = H. Deze rekenslagen worden herhaald totdat het punt L_{max} bereikt is. De pipingberm loopt door tot het laatste punt waar de veiligheid tegen piping niet voldoet. De bovenkant van de berm is altijd horizontaal en is gelijk aan H_{berm}. + +\subsubsection{Macrostabiliteit} \label{geometrieaanpassingstab} + + + + +\subsection{Kruinverhoging} \label{sec:Kruinverhoging} REQ X \dam kan de kruinhoogte aanpassen (verhogen) tot een opgegeven dijktafelhoogte (DTH). \textit{Toelichting} -Bij een veranderend peilregime en/of gebiedsinrichting kan het voorkomen dat de dijktafelhoogte (DTH) verandert. Als de huidige dijkhoogte te laag is dan moet de dijk worden verhoogd. Binnen DAM wordt deze aanpassing automatisch uitgevoerd (zie ) door de buitenkruin te verhogen tot de opgegeven DTH, de buitenkruin wordt hierbij verplaatst langs de reeds aanwezige talud helling, hoek alfa in \autoref{fig:aanpassing_kruinhoogte}. +Tijdens deze stap controleert \dam of de aanwezige kruinhoogte voldoet aan de opgegeven dijktafelhoogte (DTH, attribuut: DikeTableHeight). Zo niet, wordt de de buitenkruin verhoogd tot de opgegeven DTH, de buitenkruin wordt hierbij verplaatst langs de reeds aanwezige talud helling, hoek alfa in \autoref{fig:aanpassing_kruinhoogte}. -begin{figure}[H] +\begin{figure}[H] \centering \includegraphics[width=0.5\textwidth]{figuren/aanpassing_kruinhoogte.png} \caption{Kruinhoogte aanpassing} \label{fig:aanpassing_kruinhoogte} \end{figure} +\textit{Ondersteuning van handelingen} +\dam maakt een nieuwe hoogtegeometrie aan op basis van de oorspronkelijke taludhellingen ($\alpha$ en $\beta$) en de oorspronkelijke kruinhoogte (B), zie \autoref{fig:aanpassing_kruinhoogte} +De taludhellingen, als wel de kruinbreedte, worden vastgesteld op basis van de karakteristieke punten: +\begin{itemize} + \item De buitentaludhelling ($\alpha$) volgt uit de berekende helling op basis van de buitenteen en de buitenkruinlijn. In geval een buitenberm aanwezig is wordt de buitentaludhelling bepaald op basis van de insteek van de buitenberm en de buitenkruinlijn. + \item De kruinbreedte (B) volgt uit de afstand tussen de karakteristieke punten buitenkruinlijn en binnekruinlijn. + \item De binnentaludhelling ($\beta$) volgt uit de berekende helling op basis van de binnenteen en de binnenkruinlijn. In geval een binnenberm aanwezig is wordt de binnentaludhelling bepaald op basis van de insteek van de binnenberm en de binnenkruinlijn. -\textit{Ondersteuning van handelingen} -De gebruiker moet een aantal ontwerpvariabelen op kunnen geven: +\end{itemize} +De aangepaste geometrie heeft als startpunt de buitenteen van het initi\"ele profiel (zie \autoref{fig:aanpassing_geometrie_buitenteen}). In het geval er geen binnenberm aanwezig is zal de binnenteen van het aangepaste profiel verder weg liggen langs het profiel dan de oorspronkelijke binnenteen (zie \autoref {fig:aanpassing_kruinhoogte}). Als de situatie zich voordoet dat de aangepaste geometrie snijdt met een aanwezig binnenberm, dan zal de insteek van de binnenberm opschuiven (zie \autoref {fig:aanpassing_geometrie_buitenteen}). -\subsec {Taludverflauwing} \label{sec:Taludverflauwing} +\begin{figure}[H] + \centering + \includegraphics[width=1\textwidth]{figuren/aanpassing_geometrie_buitenteen.png} + \caption{Aangepaste geometrie met startpunt geometrie aanpassing in de buitenteen} + \label{fig:aanpassing_geometrie_buitenteen} +\end{figure} -\subsec {Bermontwikkeling} \label {sec:Bermontwikkeling} +\subsection {Taludverflauwing} \label{sec:Taludverflauwing} +Bij de workflow 2 Doelzoeken wordt eerst met de inti\"ele situatie gerekend, indien de evenwichtsfactor niet toereikend is, gaat \dam de geometrie aan passen. Indien het glijvlak een uittredepunt heeft binnenwaarts van de binnenteen wordt een berm gegenereerd (zie \autoref{sec:Bermontwikkeling}, anders wordt het talud verflauwd. +De taludverflauwing wordt stapsgewijs uitgevoerd. De stappen zijn gedefinieerd ten opzichte van het snijpunt (S) van het aangepaste profiel met het initi\"ele profiel. Feitelijk geeft de gebruiker op hoeveel dit snijpunt opschuift per rekenstap (attribuut: StabilitySlopeAdaptionDeltaX). De opgegeven waarde ($\delta \_{s$) is de horizontale afstand (in meters) van het snijpunt (S) langs het profiel. Het maximaal aantal iteraties is begrensd op 200. Dit om te voorkomen dat \dam in een oneindige lus komt als de opgegeven evenwichtsfactor niet bereikt kan worden. + +\begin{figure}[H] + \centering + \includegraphics[width=1\textwidth]{figuren/taludverflauwing.png} + \caption{Iteratieve taludverflauwing binnentalud op basis van uittredepunt glijvlak.} + \label{fig:taludverflauwing} +\end{figure} + +Als default waarde voor ($\Delta _{s} $) wordt 1 m aangehouden. + +\subsection {Bermontwikkeling} \label {sec:Bermontwikkeling} +Bij de workflow 2 Doelzoeken wordt eerst met de inti\"ele situatie gerekend, indien de evenwichtsfactor niet toereikend is, gaat \dam de geometrie aan passen. Indien het glijvlak een uittredepunt heeft binnenwaarts van de binnenteen wordt een berm gegenereerd, anders wordt het talud verflauwd (zie \autoref{sec:Taludverflauwing}). + +Het aanpassen gaat in stappen met een opgegeven horizontale stap grootte van verlegging van de binnenteen ($\delta \_{s$). De stapgrootte staat standaard op 1 m, maar is aan te passen (attribuut ‘StabilityShoulderGrowDeltaX’). De bermontwikkeling stopt als de berekende veiligheidsfactor van het aangepaste profiel ≥ de opgegeven veiligheidsfactor. + +\begin{figure}[H] + \centering + \includegraphics[width=1\textwidth]{figuren/bermontwikkeling.png} + \caption{Iteratieve bermontwikkeling bij macrostabiliteit.} + \label{fig:bermontwikkeling} +\end{figure} + +De bermtaludhelling ($\beta$) volgt uit de berekende helling op basis van de binnenteen en de binnenkruinlijn. In geval een binnenberm aanwezig is wordt de binnentaludhelling bepaald op basis van de insteek van de binnenberm en de binnenkruinlijn. + +De hoogte van de berm is begrensd tot $2/3$∙kruinhoogte, dat wil zeggen het verschil in hoogte tussen binnenteen en kruin binnentalud. Wanneer deze bermhoogte is bereikt, wordt de berm uitsluitend in horizontale richting ontwikkeld polder. + +In het geval een sloot aanwezig is wordt hier hetzelfde mee omgegaan als beschreven bij \autoref{sec:aangepastprofiel} + + +\subsection{Aangepast profiel}\label{sec:aangepastprofiel} +Voor alle aangepaste profielen geldt dat de geometriepunten vallend binnen het aangepaste profiel verwijderd worden. De karakteristieke punten schuiven mee met de geometrie aanpassing. + + +\begin{figure}[H] + \centering + \includegraphics[width=1\textwidth]{figuren/aangepastprofiel.png} + \caption{Aangepaste geometrie met startpunt geometrie aanpassing in de buitenteen} + \label{fig:aangepastprofiel} +\end{figure} + +In het geval sprake is van een buitenberm zal de aangepaste geometrie starten vanuit de insteek van de buitenberm. + +\begin{figure}[H] + \centering + \includegraphics[width=1\textwidth]{figuren/aangepastprofiel_buitenberm.png} + \caption{Aangepaste geometrie met startpunt geometrie aanpassing buitenberm} + \label{fig:aangepastprofiel_buitenberm} +\end{figure} + + +Als door de geometrie aanpassing de nieuwe dijkbasis dusdanig breed wordt dat de gehele initi\"ele geometrie binnen het aangepaste profiel valt, dan worden alle tussenliggende geometriepunten, inclusief de karakteristieke punten van de binnenberm, verwijderd + +\begin{figure}[H] + \centering + \includegraphics[width=1\textwidth]{figuren/aangepastprofiel_dijkbasis.png} + \caption{Aangepaste geometrie met startpunt geometrie buitenteen en toegenomen dijkbasis} + \label{fig:aangepastprofiel_dijkbasis} +\end{figure} + +Als een sloot aanwezig is in het profiel schuift \dam de sloot op in het geval de ligging van de aangepaste binnenteen verder ligt dan de ligging van de binnenteen in het initi\"ele profiel. De sloot schuift langs het niet aangepaste deel van het initi\"ele profiel. Bij de verschuiving van de sloot houdt \dam de oorspronkelijke afstand van de binnenteen tot de insteek sloot ($DELTA$) gelijk. Daarbij houdt de sloot zijn oorspronkelijke afmetingen. + +\begin{figure}[H] + \centering + \includegraphics[width=1\textwidth]{figuren/aangepastprofiel_sloot.png} + \caption{Verschuiving teensloot} + \label{fig:aangepastprofiel_sloot} +\end{figure} + +De aangepaste geometrie bestaat uit rechte lijnen. Alle profielpunten liggende tussen de insteek binnenberm en binnenteen worden verwijderd. + +\Autref {fig:aangepastprofiel_totaal1} toont een mogelijke geometrie aanpassing waarbij eerst een dijkverhoging uitgevoerd is, vervolgens een taludverflauwing en tot slot een bermontwikkeling. Al deze stappen worden door \dam automatisch doorlopen. In \autoref{fig:aangepastprofiel_totaal2} is het profiel geschematiseerd weergegeven waarbij alleen het aangepaste profiel weergegeven is. \dam heeft de optie om dit aangepaste profiel en karakteristieke punten te exporteren naar een CSV bestand. + +\begin{figure}[H] + \centering + \includegraphics[width=1\textwidth]{figuren/aangepastprofiel_totaal1.png} + \caption{Vergelijk initieel profiel en geometrie adaptie in \dam} + \label{fig:aangepastprofiel_totaal1} +\end{figure} + +\begin{figure}[H] + \centering + \includegraphics[width=1\textwidth]{figuren/aangepastprofiel_totaal2.png} + \caption{Schematische weergave van het uiteindelijke aangepaste profiel waarbij de initiële profiel punten verwijderd zijn} + \label{fig:aangepastprofiel_totaal2} +\end{figure} + + + \section{Configuratie maken voor \damlive} \ No newline at end of file Index: trunk/doc/LaTex/DAM - Functional Design/NFR.tex =================================================================== diff -u -r61 -r142 --- trunk/doc/LaTex/DAM - Functional Design/NFR.tex (.../NFR.tex) (revision 61) +++ trunk/doc/LaTex/DAM - Functional Design/NFR.tex (.../NFR.tex) (revision 142) @@ -5,15 +5,24 @@ In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de niet-functionele eisen van \dam. Hierin wordt onderscheid gemaakt in 7 soorten niet-functionele eisen; functionaliteit, betrouwbaarheid, bruikbaarheid, efficiency, onderhoudbaarheid, overdraagbaarheid en beheer. +\dam geeft de voortgang van een importeeractie aan. +\dam geeft de voortgang van een berekening aan. +\dam geeft heldere foutmeldingen bij het ontbreken van data. +\dam geeft heldere foutmeldingen bij gebruik van foutieve data. +\dam geeft geen crashes tijdens normaal gebruik. +\dam code heeft een code coverage van 80\% +\dam is nederlands- en engelstalig. +\dam is voorbereid op een meertalig gebruik. +\dam moet door gebruikers gebruikt kunnen worden met standaardrechten. Het moet dus niet nodig zijn om de applicatie uit te voeren met administrator rechten, met uitzondering van installatie. -\subsec{Architectuur \dam} +\subsection{Architectuur \dam} Binnen Deltares wordt software voor de bepaling van de sterkte van waterkeringen modulair ontwikkeld. Hierbij is het streven om zoveel mogelijk componenten te delen. \autoref geeft schematisch de onderlinge samenhang tussen de verschillende componenten weer en rekenplatformen, bijvoorbeeld \dam en Ringtoets. Het delen van componenten heeft verschillende voordelen. Zo kan de dijkbeheerder zijn bron data gebruiken voor verschillende toepassingen. Daarnaast geldt dat door het delen van goed geteste bibliotheken de betrouwbaarheid vergroot wordt. Delen van faalmechanismebibliotheken leidt tot directe vergelijkbaarheid van resultaten voor verschillende toepassingen. Door de herkenbaarheid van de User Interface (UI) componenten wordt het voor de gebruiker makkelijker de software te bedienen en daarmee wordt de drempel verlaagd voor gebruik van de software. Voor de ontwikkelaar zijn gedeelde bibliotheken beter en goedkoper te onderhouden. \begin{figure}[H] \centering - \includegraphics[width=0.5\textwidth]{figuren/Software componenten.png} + \includegraphics[width=0.5\textwidth]{figuren/Softwarecomponenten.png} \caption{Softwarecomponenten} \label{fig:Softwarecomponenten} \end{figure} Index: trunk/doc/LaTex/DAM - Functional Design/DAMtoekomst.tex =================================================================== diff -u --- trunk/doc/LaTex/DAM - Functional Design/DAMtoekomst.tex (revision 0) +++ trunk/doc/LaTex/DAM - Functional Design/DAMtoekomst.tex (revision 142) @@ -0,0 +1,25 @@ +\chapter{\dam in de toekomst}\label{sec:DAMtoekomst} + +De toekomstige ontwikkelingen worden voorzien, waar \dam op voorbereid dient te zijn: + +\section{Aansluiten andere rekenkernels} +Naast de huidig aangesloten rekenkernels worden in de toekomst andere rekenkernels ontwikkeld met betrekking tot dijksterkte. +\dam dient op deze rekenkernels aan te kunnen sluiten, mits: +\begin{itemize} + \item de databehoefte van de kernel is vastgelegd; + \item de rekenkernel betrekking heeft op dijksterkte; + \item \textit{nader in te vullen} +\end{itemize} + +\section{Aansluiten D-Soil Model} +Afhankelijk van de te gebruiken rekenkernels dient \dam \dsoilmodel bestanden in te kunnen lezen. +De huidige \dsoilmodel (versie 17.1.1) ondersteunt alleen gebruik van de data voor de rekenkernels WTI-Macrostabiliteit en WTI-piping. +Onderstaande figuur geeft de onderlinge relatie van de bouwstenen WBI en de huidige \dam invoer weer: +\begin{figure}[H] + \centering + \includegraphics[width=1\textwidth]{figuren/bouwstenen.png} + \caption{Invoer \dam in relatie tot het WBI} + \label{fig:FC-nrs} +\end{figure} + +\dsoilmodel zal aanpassingen nodig hebben om de andere kernels te kunnen bedienen, zoals meer sterkteparameters. \ No newline at end of file Index: trunk/doc/LaTex/DAM - Functional Design/Kwestie.tex =================================================================== diff -u -r61 -r142 --- trunk/doc/LaTex/DAM - Functional Design/Kwestie.tex (.../Kwestie.tex) (revision 61) +++ trunk/doc/LaTex/DAM - Functional Design/Kwestie.tex (.../Kwestie.tex) (revision 142) @@ -9,71 +9,21 @@ Welke waterspanningsgegevens heeft deze kernel nodig? Waarin verschilt dit van de WBI-piping-kernel? -\appendix{Schematiseren waterspanningen}\label{sec:schema_wsp} -Voor de generatie van de waterspanningen maakt \dam gebruik van een aantal stappen: -\begin{enumerate} - \item Schematisatie freatisch vlak (zie \autoref{sec:frea-vlak}). - \item Initi�le schematisatie stijghoogtes (zie \autoref{sec:ini_stijghoogten}). - \item Controle op opdrijven (zie \autoref{sec:contr_opdrijf}). - \item Definitieve schematisatie waterspanningen (zie \autoref{def_wsp}). -\end{enumerate} +\subsection{Waterspanningen} +Hoe om te gaan met reeds bestaande waterspanningschematisaties in D-Geostability bestanden? +Hoe om te gaan met een WTI kernel met een 'eigen' waternet creator; dient \dam nog een 'eigen' waternetcreator te hebben? Ja, mits er meer mogelijk is dan in de bestaande waternetcreator (is nu het geval). DAM moet zowel de waternet creator uit de WTI kernel kunnen gebruiken, als de 'eigen' waternetcreator. -\section{Schematisatie freatisch vlak}\label{sec:frea-vlak} -In \dam zijn twee verschillende methoden beschikbaar om de ligging van het freatisch vlak te schematiseren: -\begin{enumerate} - \item ExpertKnowledgeRRD - \item ExpertKnowledgeLinearInDike -\end{enumerate} +\subsection{Bestaande rekenkernels} +Om onderscheid te kunnen maken tussen de verschillende rekenkernels (momenteel voor macrostabiliteit en piping) dient een overzicht gemaakt te worden van de kernels (naam, versie, welke taal, documentatie FO/TO} -De schematisatiewijze is door de gebruiker op te geven (attribuut: PLLineCreationMethod) en is binnen \dam te wijzigen om zo (bijvoorbeeld) het effect van de verschillende schematisatie keuzes op de berekeningsresultaten te onderzoeken. De schematisatie wijze, als wel de bijbehorende waardes, zijn op locatieniveau te defini�ren. +\subsection{Nieuwe rekenkernels} +Welke eisen dienen aan deze rekenkernels gesteld te worden om aansluiting mogelijk te maken? -Binnen \dam wordt het freatisch vlak aangeduid als Pi�zometrische Lijn 1 (PL1). -\subsection {ExpertKnowledgeRRD} -Bij de expertKnoledgeRDD methode wordt de ligging van het freatisch vlak vastgelegd ter plaatse van (maximaal) 6 punten, A tot en met F. Deze locaties zijn weergegeven in \autoref{fig:PL1_RRD}. De hoogteligging van het freatisch vlak wordt gedefinieerd door het opgeven van een aantal verticale offsets ten opzichte van de buitenwaterstand of maaiveld ligging. In Tabel 4.1 is per punt weergegeven hoe deze bepaald/vastgelegd wordt. Tussen de punten wordt de ligging van het freatisch vlak bepaald met behulp van lineaire interpolatie. -\begin{figure}[H] - \centering - \includegraphics[width=0.5\textwidth]{figuren/PL1_RRD.png} - \caption{Schematisatie freatisch lijn (PL1) binnenwaartste stabiliteit bij gebruik ExpertKnowledgeRRD} - \label{fig:PL1_RRD} -\end{figure} +\subsection{segmenten} +Wanneer onderscheid gaan maken per faalmechanisme? -\begin{table*}[h] - \centering - \begin{tabular}{ |p{25mm} |textwidth-30mm} |} - \hline -\textbf{Punt} & \textbf{Hoogteligging bepaald door} \\ \hline -\textit{A} & Snijpunt van de buitenwaterstand met het buitentalud \\ \hline -\textit{B} & Buitenwaterstand - opgegeven offset \\ \hline -\textit{C} & Buitenwaterstand - opgegeven offset \\ \hline -\textit{D} & Hoogteligging maaiveld ter plaatse van insteek binnenberm � opgegeven offset\\ \hline -\textit{E} & Hoogteligging maaiveld ter plaatse van binnenteen � opgegeven offset\\ \hline -\textit{F} & Snijpunt polderpeil met teensloot (automatisch bepaald) \\ \hline - - \end{tabular} - \caption{Parameters per schematisatie-punt voor het verloop van de freatische lijn binnen de schematisatie optie ExpertKnowledgeRRD} - \label{tab:ParametersRRD} -\end{table*} +\subsection{\dsoilmodel} +Welke aanpassingen aan \dsoilmodel zijn nodig om ook andere kernels dan de WBI-kernels te kunnen bedienen? - -Verlagingen ten opzichte van het referentiepunt/vlak worden uitgedrukt met een positieve waarde. Voor het schematiseren van een opbolling dient de offset opgegeven te worden als een negatief getal. - -Indien de freatische lijn uit het talud treedt, dient het maaiveld gevolgd te worden voor het verdere verloop van de freatische lijn, met een verlaging van 1 cm. -In het geval geen berm aanwezig is wordt punt D overgeslagen. In het geval er geen sloot aanwezig is wordt het maaiveld aan de binnenzijde (vanaf punt E) gevolgd met een verlaging van 1 cm. \ - -\dam controleert op de volgende gevallen: -\begin{itemize} - \item polderpeil > Z-waarde van punt D en/of E ; aanpassing van Z-waarde van punt D en/of E naar polderpeil - \item Z-waarde van punt D en/of E > Z-waarde van punt B en/of C; aanpassing van Z-waarde van punt D en/of E naar laagste Z-waarde punt B of C -\end{itemize} -NB: Punt C mag wel hoger liggen dan punt B. - - - -\section {Initi�le schematisatie stijghoogtes}\label{sec:ini_stijghoogten} - -\section {Controle op opdrijven}\label{sec:contr_opdrijf} - -\section {Definitieve schematisatie waterspanningen}\label{def_wsp} - Index: trunk/doc/LaTex/DAM - Functional Design/Databehoefte.tex =================================================================== diff -u --- trunk/doc/LaTex/DAM - Functional Design/Databehoefte.tex (revision 0) +++ trunk/doc/LaTex/DAM - Functional Design/Databehoefte.tex (revision 142) @@ -0,0 +1,132 @@ +\chapter {Locaties en databehoefte} \label{sec:LocatiesenDatabehoefte} + +\section{Locaties in \dam}\label{sec:locaties} + +De locaties worden opgegeven middels een locations.csv met RD-co\"ordinaten: + +\begin{table}[H] +\centering +\begin{tabular}{|l|l|l|l|p{5cm}|} +\hline +\textbf{Name} &\textbf{Type} & \textbf{Unit} & \textbf{Required} &\textbf{Description}\\ \hline +location\_id & StringId & - & yes & Name of location \\ \hline +surfaceline\_id & StringId & - & yes & Reference to surfaceline \\ \hline +segment\_id & StringId & - & yes & Reference to segment \\ \hline +geo\_x & Float & m & yes & x-coordinate \\ \hline +geo\_y & Float & m & yes & y-coordinate \\ \hline +x\_soilgeometry2D\_origin & Float & m & no & The distance in x-direction between the origin of the soilgeometry2D and the first point of the surfaceline \\ \hline +\end{tabular} +\caption{Locations.csv} +\label{tab:locationscsv} +\end{table} + + +De hoogtegeometrie\"en (surfacelines) worden middels een csv-tabel opgegeven: + +\begin{table}[H] +\centering +\begin{tabular}{|l|l|l|l|l|} +\hline +\textbf{Name} & \textbf{Type} & \textbf{Unit} & \textbf{Required} & \textbf{Description} \\ \hline +Profielnaam & StringId & - & yes & Name of surfaceline \\ \hline +X1 & Float & m & yes & X coordinate 1-st point \\ \hline +Y1 & Float & m & yes & Y coordinate 1-st point \\ \hline +Z1 & Float & m & yes & Z coordinate 1-st point \\ \hline +..... & & & & \\ \hline +Xn & Float & m & yes & X coordinate n-th point \\ \hline +Yn & Float & m & yes & Y coordinate n-th point \\ \hline +Zn & Float & m & yes & Z coordinate n-th point \\ \hline +\end{tabular} +\caption{Surfacelines.csv} +\label{tab:servicelinescsv} +\end{table} + +Op deze hoogtegeometri\"en (surfacelines) dienen de karakateristieke punten te zijn aangegeven: + +\begin{table}[H] +\centering +\begin{tabular}{|l|l|l|l|p{5cm}|} +\hline +\textbf{Name} & \textbf{Type} & \textbf{Unit} & \textbf{Required} & \textbf{Description} \\ \hline +Profielnaam & StringId & - & yes & Reference to surfaceline (in surfacelines.csv) \\ \hline +X\_Maaiveld buitenwaarts & Float & m & yes & \multirow{3}{*}{} \\ \cline{1-4} +Y\_Maaiveld buitenwaarts & Float & m & yes & \\ \cline{1-4} +Z\_Maaiveld buitenwaarts & Float & m & yes & \\ \hline +X\_Teen dijk buitenwaarts & Float & m & Yes & \multirow{3}{*}{} \\ \cline{1-4} +Y\_Teen dijk buitenwaarts & Float & m & Yes & \\ \cline{1-4} +Z\_Teen dijk buitenwaarts & Float & m & Yes & \\ \hline +X\_Kruin buitenberm & Float & m & no & \multirow{3}{*}{} \\ \cline{1-4} +Y\_Kruin buitenberm & Float & m & no & \\ \cline{1-4} +Z\_Kruin buitenberm & Float & m & no & \\ \hline +X\_Insteek buitenberm & Float & m & no & \multirow{3}{*}{} \\ \cline{1-4} +Y\_Insteek buitenberm & Float & m & no & \\ \cline{1-4} +Z\_Insteek buitenberm & Float & m & no & \\ \hline +X\_Kruin buitentalud & Float & m & yes & \multirow{3}{*}{} \\ \cline{1-4} +Y\_Kruin buitentalud & Float & m & yes & \\ \cline{1-4} +Z\_Kruin buitentalud & Float & m & yes & \\ \hline +X\_Verkeersbelasting kant buitenwaarts & Float & m & no & \multirow{3}{*}{} \\ \cline{1-4} +Y\_Verkeersbelasting kant buitenwaarts & Float & m & no & \\ \cline{1-4} +Z\_Verkeersbelasting kant buitenwaarts & Float & m & no & \\ \hline +X\_Verkeersbelasting kant binnenwaarts & Float & m & no & \multirow{3}{*}{} \\ \cline{1-4} +Y\_Verkeersbelasting kant binnenwaarts & Float & m & no & \\ \cline{1-4} +Z\_Verkeersbelasting kant binnenwaarts & Float & m & no & \\ \hline +X\_Kruin binnentalud & Float & m & yes & \multirow{3}{*}{} \\ \cline{1-4} +Y\_Kruin binnentalud & Float & m & yes & \\ \cline{1-4} +Z\_Kruin binnentalud & Float & m & yes & \\ \hline +X\_Insteek binnenberm & Float & m & no & \multirow{3}{*}{} \\ \cline{1-4} +Y\_Insteek binnenberm & Float & m & no & \\ \cline{1-4} +Z\_Insteek binnenberm & Float & m & no & \\ \hline +X\_Kruin binnenberm & Float & m & no & \multirow{3}{*}{} \\ \cline{1-4} +Y\_Kruin binnenberm & Float & m & no & \\ \cline{1-4} +Z\_Kruin binnenberm & Float & m & no & \\ \hline +X\_Teen dijk binnenwaarts & Float & m & yes & \multirow{3}{*}{} \\ \cline{1-4} +Y\_Teen dijk binnenwaarts & Float & m & yes & \\ \cline{1-4} +Z\_Teen dijk binnenwaarts & Float & m & yes & \\ \hline +X\_Insteek sloot dijkzijde & Float & m & no & \multirow{3}{*}{} \\ \cline{1-4} +Y\_Insteek\_sloot dijkzijde & Float & m & no & \\ \cline{1-4} +Z\_Insteek sloot dijkzijde & Float & m & no & \\ \hline +X\_Slootbodem dijkzijde & Float & m & no & \multirow{3}{*}{} \\ \cline{1-4} +Y\_Slootbodem dijkzijde & Float & m & no & \\ \cline{1-4} +Z\_Slootbodem dijkzijde & Float & m & no & \\ \hline +X\_Slootbodem polderzijde & Float & m & no & \multirow{3}{*}{} \\ \cline{1-4} +Y\_Slootbodem polderzijde & Float & m & no & \\ \cline{1-4} +Z\_Slootbodem polderzijde & Float & m & no & \\ \hline +X\_Insteek sloot polderzijde & Float & m & no & \multirow{3}{*}{} \\ \cline{1-4} +Y\_Insteek sloot polderzijde & Float & m & no & \\ \cline{1-4} +Z\_Insteek sloot polderzijde & Float & m & no & \\ \hline +X\_Maaiveld binnenwaarts & Float & m & yes & \multirow{3}{*}{} \\ \cline{1-4} +Y\_Maaiveld binnenwaarts & Float & m & yes & \\ \cline{1-4} +Z\_Maaiveld binnenwaarts & Float & m & yes & \\ \hline +\end{tabular} +\caption{Characteristicpoints.csv} +\label{tab:characteristicpoints} +\end{table} + + +\section{Databehoefte}\label{sec:databehoefte} +Onderstaande tabel geeft de huidige databehoefte van \dam weer met de volgende kolomnamen: + +\begin{table*}[H] +\centering +\begin{tabular}{p{40mm}p{\textwidth-24pt-40mm}} +Naam (Nederlands) & Naam zichtbaar in UI en gebruikershandleiding \\ \ghline +Naam (Engels) & Naam zichtbaar in UI indien engelstalig ingesteld \\ \ghline +Categorie & Indeling naar categorie data \\ \ghline +Stroomschema & Benodigd voor worflow 1 en/of twee \\ \ghline +Eenheid & Eenheid van de opgegeven data, ook zichtbaar in UI \\ \ghline +Kernel & Voor welke rekenkernel is de parameter nodig:\newline +s1: Macrostabiliteit Delphis kernel\newline +p1: Piping Sellmeijer 4-krachten\\ \ghline +Codenaam & Naam zoals gebruikt in de programma code van \dam \\ \ghline +Default & De waarde van de parameter indien ontbrekend in de invoer \\ \ghline +Min & De toegestane minimale waarde van de parameter (indien van toepassing) \\ \ghline +Max & De toegestane maximale waarde van de parameter (indien van toepassing) \\ \ghline +Variabel in 15.2.1 & Is de parameter aanpasbaar in \dam 15.2.1 middels een op te geven rekenscenario? \\ \ghline +Variabel & Is de parameter in de toekomst aanpasbaar middels een op te geven rekenscenario? \\ \ghline +\end{tabular} +\end{table*} + +Tabel, kolom B t/m O over nemen uit: + +https://repos.deltares.nl/repos/dam/trunk/doc/Work/Tabel invoer DAM 1.0.xlsx +