Index: DamClients/DamUI/trunk/doc/DAM UI - User manual/Pictures/Uitvoer/VensterTabellenTabbladBerekeningen.png =================================================================== diff -u -r4366 -r4370 Binary files differ Index: DamClients/DamUI/trunk/doc/DAM UI - User manual/Pictures/Uitvoer/TabbladDwarsdoorsnedeOrigineleSchematiseringEnAangepasteGeometrie.png =================================================================== diff -u -r4366 -r4370 Binary files differ Index: DamClients/DamUI/trunk/doc/DAM UI - User manual/Pictures/Berekeningen/VerbodenZoneFactor.png =================================================================== diff -u -r4366 -r4370 Binary files differ Index: DamClients/DamUI/trunk/doc/DAM UI - User manual/Pictures/Uitvoer/VensterAfbeeldingTabbladAfbeelding.png =================================================================== diff -u -r4366 -r4370 Binary files differ Index: DamClients/DamUI/trunk/doc/DAM UI - User manual/Pictures/Uitvoer/VensterEigenschappenTabbladBerekening.png =================================================================== diff -u -r4366 -r4370 Binary files differ Index: DamClients/DamUI/trunk/doc/DAM UI - User manual/DAM UI - User manual.tex =================================================================== diff -u -r4369 -r4370 --- DamClients/DamUI/trunk/doc/DAM UI - User manual/DAM UI - User manual.tex (.../DAM UI - User manual.tex) (revision 4369) +++ DamClients/DamUI/trunk/doc/DAM UI - User manual/DAM UI - User manual.tex (.../DAM UI - User manual.tex) (revision 4370) @@ -93,7 +93,7 @@ \label{fig:ModelconceptDAM} \end{figure} -Voor het uitvoeren van de piping berekeningen wordt gebruik gemaakt van de piping modellen (zie 6.4). +Voor het uitvoeren van de piping berekeningen wordt gebruik gemaakt van de piping modellen (zie \autoref{sec:GebruikteModellenPiping}). In de toekomst is het mogelijk om ook andere (nieuw te ontwikkelen) rekenmodellen met DAM aan te sturen. Zo wordt momenteel in een laboratorium-opstelling DAM gekoppeld met DgFlow voor het berekenen van (tijdsafhankelijke) waterspanningen. @@ -173,7 +173,7 @@ \begin{figure}[H] \centering - \includegraphics[width=1.00\textwidth]{Pictures/Reference/Kerngegevens.png} + \includegraphics[width=0.8\textwidth]{Pictures/Reference/Kerngegevens.png} \caption{Centraal beheer kerngegevens binnen het waterschap voor de verschillende processen en taken} \label{fig:Kerngegevens} \end{figure} @@ -252,7 +252,7 @@ \begin{figure}[H] \centering - \includegraphics[width=1.00\textwidth]{Pictures/Reference/VerfijningKerngegevens.png} + \includegraphics[width=0.8\textwidth]{Pictures/Reference/VerfijningKerngegevens.png} \caption{Verfijning kerngegevens binnen een gebied waarbij gewerkt wordt van globaal naar fijn} \label{fig:VerfijningKerngegevens} \end{figure} @@ -261,7 +261,7 @@ \label{sec:2.4.3} Voor het in voorgaande paragraaf beschreven databeheer is het van belang om te weten welke gegevens nodig zijn voor het uitvoeren van een toetsing, maar ook voor andere toepassingen (beleid, dagelijks beheer, calamiteitenbestrijding en versterken). -Voor DAM zijn alle benodigde parameters (per spoor) beschreven en opgenomen in deel A. +Voor DAM zijn alle benodigde parameters (per spoor) beschreven en opgenomen in \autoref{app:LocationParameters}. Door de databehoefte duidelijk te definiëren vanuit de rekenplatformen (bijvoorbeeld DAM en Ringtoets) kan de inwinstrategie van gegevens daarop ook aangepast worden en vertaald worden naar protocollen en standaardisatie in uitvragen van waterkeringbeheerders. @@ -305,7 +305,8 @@ Dit zou bijvoorbeeld het geval zijn als direct gekoppeld zou worden met de Oracle Databases. Overigens blijft deze mogelijkheid wel open als blijkt dat dit in de toekomst wel gewenst is. -Als binnen DAM een nieuw project gestart wordt zal een snapshot gemaakt worden van de actuele gegevens bij het desbetreffende waterschap (zie handleiding Deel A, hoofdstuk 3). +Als binnen DAM een nieuw project gestart wordt zal een snapshot gemaakt worden van de actuele gegevens bij het desbetreffende waterschap +(zie \autoref{chp:Projectdata}). Met andere woorden, er wordt een kopie gemaakt van de actuele data en opgeslagen in de projectdatabase van DAM (*.damx). Lopende het project kan het detail niveau van de gegevens, afhankelijk van de tussenresultaten, uitgebreid en verfijnd worden om tot een zo scherp mogelijk oordeel/uitkomsten te komen. Tijdens het Werken met DAM zal dan ook in veel gevallen spraken zijn van een continue data uitwisseling tussen de database van het waterschap en DAM. @@ -316,7 +317,7 @@ \begin{table}[H] \begin{tabular}{|p{45mm}|p{40mm}|p{\textwidth-36pt-85mm}|} \hline -Kenmerk & Geadviseerd & Minimaal \\ \hline +\textbf{Kenmerk} & \textbf{Geadviseerd} & \textbf{Minimaal} \\ \hline Processor & Intel Core i7 of beter & Intel Core i5 \\ \hline Kloksnelheid & 2.4 GHz & 2.4 GHz \\ \hline Geheugen (RAM) & 8 GB of meer & 4 GB \\ \hline @@ -352,7 +353,7 @@ \end{figure} Op globaal niveau kunnen de benodigde gegevens onderverdeeld worden: -\begin{itemize} +\begin{itemize}[noitemsep, nolistsep] \item Locatiedefinitie (\autoref{sec:Locatiedefinitie}) \item Dwarsprofielgeometrie (\autoref{sec:Dwarsprofielgeometrie}) \item Ondergrondmodel (\autoref{sec:Ondergrondmodel}) @@ -383,7 +384,7 @@ \begin{figure}[H] \centering - \includegraphics[width=1.00\textwidth]{Pictures/Projectdata/VoorbeeldLocatie.png} + \includegraphics[width=0.8\textwidth]{Pictures/Projectdata/VoorbeeldLocatie.png} \caption{Voorbeeld van een locatie, inclusief attribuuttabel, binnen het DAM concept} \label{fig:VoorbeeldLocatie} \end{figure} @@ -398,7 +399,7 @@ \begin{figure}[H] \centering - \includegraphics[width=1.00\textwidth]{Pictures/Projectdata/VoorbeeldCrossSection.png} + \includegraphics[width=0.8\textwidth]{Pictures/Projectdata/VoorbeeldCrossSection.png} \caption{Voorbeeld van een cross-section, inclusief attribuuttabel, binnen het DAM concept} \label{fig:VoorbeeldCrossSection} \end{figure} @@ -414,7 +415,7 @@ \begin{figure}[H] \centering - \includegraphics[width=1.00\textwidth]{Pictures/Projectdata/VoorbeeldDataExtractieUitLijnenShape.png} + \includegraphics[width=0.8\textwidth]{Pictures/Projectdata/VoorbeeldDataExtractieUitLijnenShape.png} \caption{Voorbeeld dataextractie uit een lijnen-shape} \label{fig:VoorbeeldDataExtractieUitLijnenShape} \end{figure} @@ -431,7 +432,7 @@ \begin{figure}[H] \centering - \includegraphics[width=1.00\textwidth]{Pictures/Projectdata/VoorbeeldDataExtractieUitVlakkenShape.png} + \includegraphics[width=0.8\textwidth]{Pictures/Projectdata/VoorbeeldDataExtractieUitVlakkenShape.png} \caption{Voorbeeld dataextractie uit een vlakken-shape} \label{fig:VoorbeeldDataExtractieUitVlakkenShape} \end{figure} @@ -465,7 +466,7 @@ \begin{figure}[H] \centering - \includegraphics[width=1.00\textwidth]{Pictures/Projectdata/VoorbeeldLaseraltimetrie.png} + \includegraphics[width=0.8\textwidth]{Pictures/Projectdata/VoorbeeldLaseraltimetrie.png} \caption{Voorbeeld laseraltimetrie data van een ingemeten boezemkade} \label{fig:VoorbeeldLaseraltimetrie} \end{figure} @@ -476,14 +477,14 @@ De enige voorwaarde is dat ze moeten voldoen aan het hieronder beschreven formaat. De dwarsprofielgeometrie wordt binnen DAM beschreven door twee *.csv bestanden: -\begin{itemize} +\begin{enumerate}[noitemsep, nolistsep] \item Surfacelines.csv \item Characteristicpoints.csv -\end{itemize} +\end{enumerate} Deze namen zijn hard en mogen dus niet vrij gekozen worden. -\textbf{Ad 1 Surfacelines.csv} \\ +\textbf{Ad 1 \quad Surfacelines.csv} \\ Het \textit{surfacacelines.csv} bevat de volledige geometrie informatie, dus alle X, Y en Z coördinaten. Zo kan, bijvoorbeeld, elke 0,5m langs het profiel een profielpunt opgenomen worden in het bestand. @@ -521,7 +522,7 @@ Echter, het is natuurlijk ook mogelijk om (buiten DAM) de 2D coördinaten doormiddel van een datumtransformatie om te zetten naar RD coördinaten en NAP hoogtes op basis van een bekend punt en de kaarthoek van de geometrie (cross-section).} -\textbf{Ad 2 Characteristicpoints.csv} \\ +\textbf{Ad 2 \quad Characteristicpoints.csv} \\ Op basis van de profiellijnen worden de karakteristieke punten gedefinieerd. Denk hierbij aan de ligging van de kruinlijnen, teenlijnen, berm, sloot etc. (zie \autoref{fig:KarakteristiekePunten}). De karakteristieke punten zijn feitelijk kenmerkende punten op het profiel. @@ -599,14 +600,14 @@ \begin{figure}[H] \centering - \includegraphics[width=1.00\textwidth]{Pictures/Projectdata/VoorbeeldGebiedsindeling.png} + \includegraphics[width=0.7\textwidth]{Pictures/Projectdata/VoorbeeldGebiedsindeling.png} \caption{Voorbeeld gebiedsindeling op basis van ondergrond segmenten} \label{fig:VoorbeeldGebiedsindeling} \end{figure} \begin{figure}[h] \centering - \includegraphics[width=1.00\textwidth]{Pictures/Projectdata/RelatieSegment1DProfielen.png} + \includegraphics[width=0.7\textwidth]{Pictures/Projectdata/RelatieSegment1DProfielen.png} \caption{Relatie segment en 1D profielen grondopbouw. In bovenstaande figuur kan waar 1D staat ook 2D gelezen worden.} \label{fig:RelatieSegment1DProfielen} \end{figure} @@ -638,14 +639,14 @@ In deze situatie zal meestal één segment het gebied bestrijken van één dwarsprofiel.} Het ondergrondmodel binnen DAM bestaat uit een aantal verschillende componenten (zie \autoref{fig:OndergrondmodelDAM}): -\begin{enumerate} +\begin{enumerate}[noitemsep, nolistsep] \item Ondergrondsegmenten (zie \autoref{sec:3.4.2}). \item Ondergrondopbouw, 1D of 2D (zie \autoref{sec:3.4.3}). \item Locatie ondergrondsegmenten (zie \autoref{sec:3.4.4}). \item Grondeigenschappen (zie \autoref{sec:3.4.5}). \end{enumerate} -\begin{figure}[h] +\begin{figure}[H] \centering \includegraphics[width=0.7\textwidth]{Pictures/Projectdata/OndergrondmodelDAM.png} \caption{Samenhang tussen de verschillende elementen welke een ondergrondmodel vormen in DAM} @@ -680,7 +681,7 @@ Deze dient overeen te komen met de naamgeving in de \textit{LocationSegment.shp} (zie \autoref{sec:3.4.4}) en uniek te zijn. De \textit{Soilprofile\_id} is de naam van een specifieke ondergrondopbouw, oftewel het 1D ondergrondprofiel in het bestand \textit{soilprofiles.csv} en dient ook uniek te zijn (zie \autoref{sec:3.4.3}). -In het geval gewerkt wordt met 2D geometrieën (alleen geldig voor stabiliteitsberekeningen) dan dient de kolom \textit{soilprofile\_id} vervangen te worden door de kolomnaam soilgeometry2D. +In het geval gewerkt wordt met 2D geometrieën (alleen geldig voor stabiliteitsberekeningen) dan dient de kolom \textit{soilprofile\_id} vervangen te worden door de kolomnaam \textit{soilgeometry2D}. In deze kolom worden dan de bestandsnamen van \dgeostability (*.sti) geometrieën opgenomen. In de kolom \textit{probability} wordt de kans van voorkomen van het ondergrondschematisering opgenomen. @@ -735,8 +736,9 @@ De in de \dgeostability geometrieën gebruikte grondnamen dienen ook aanwezig te zijn in de grondeigenschappendatabase (zie \autoref{sec:3.4.5}). De namen dienen exact overeen te komen. -Evenals de dwarsprofielgeometrieën (zie \autoref{sec:Dwarsprofielgeometrie}), dienen ook de ondergrond-schematiserings lang genoeg te zijn. -Als deze even lang zijn als de profiellijnen is er geen probleem. Als ze langer zijn, dan worden ze automatisch op de randen afgekapt. +Evenals de dwarsprofielgeometrieën (zie \autoref{sec:Dwarsprofielgeometrie}), dienen ook de ondergrondschematiserings lang genoeg te zijn. +Als deze even lang zijn als de profiellijnen is er geen probleem. +Als ze langer zijn, dan worden ze automatisch op de randen afgekapt. Als de profiellijnen te kort zijn, dan worden de lagen horizontaal verlengd tot de boundaries, opgelegd door de lengte van de dwarsprofielgeometrieën. Daarnaast moet de schematisering van de ondergrond ver genoeg doorlopen in de verticaal. Dus naar boven voor de dijkgeometrie en naar beneden om een (eventuele) diepe glijcirkel te kunnen vinden. @@ -756,7 +758,7 @@ \begin{figure}[h] \centering - \includegraphics[width=1.00\textwidth]{Pictures/Projectdata/VoorbeeldShapefileMetSegmenten.png} + \includegraphics[width=0.9\textwidth]{Pictures/Projectdata/VoorbeeldShapefileMetSegmenten.png} \caption{Voorbeeld shapefile met segmenten} \label{fig:VoorbeeldShapefileMetSegmenten} \end{figure} @@ -780,15 +782,15 @@ \section{Waterstandgegevens} \label{sec:Waterstandgegevens} -Afhankelijk van het gekozen berekeningstype (zie handleiding deel A) verwacht DAM een bepaald bestand met waterstanden. +Afhankelijk van het gekozen berekeningstype verwacht DAM een bepaald bestand met waterstanden. De volgende berekeningstypen worden onderscheiden: -\begin{enumerate} +\begin{enumerate}[noitemsep, nolistsep] \item Calamiteiten \item Toetsing \item Ontwerp \end{enumerate} -\textbf{Ad 1 Calamiteiten} \\ +\textbf{Ad 1 \quad Calamiteiten} \\ In de calamiteiten mode wordt gebruik gemaakt van een *.xml bestand. Dit bestand bestaat uit een LOCATIONID, een tijdstip en bijbehorende waterhoogte voor de desbetreffende locatie op het aangegeven tijdstip. De koppeling van de waterstandsverlopen gebeurd op basis van de LOCATIONID. @@ -816,7 +818,7 @@ In \autoref{app:VoorbeeldCalamiteit} is een uitgewerkt voorbeeld opgenomen. -\textbf{Ad 2 Toetsing} \\ +\textbf{Ad 2 \quad Toetsing} \\ De rekenoptie toetsing kan alleen geselecteerd worden voor regionale keringen. De toetsing voor primaire keringen valt onder het Wettelijk Toetsinstrumentarium (WTI). @@ -833,14 +835,14 @@ In een *.csv bestand zijn de gegevens al gekoppeld aan de LOCATIONID. Alle parameters welke in shapes worden aangeleverd kunnen in *.csv worden opgenomen in \textit{location.csv}. -In \autoref{app:CharacteristicPoints} zijn alle parameters weergegeven. +In \autoref{app:LocationParameters} zijn alle parameters weergegeven. Deze namen dienen gebruikt te worden als header in de *.csv file. Let op dat deze namen exact overeen moeten komen, tijdens het importeren van de gegevens wordt namelijk op de aanwezigheid van de kolommen gecontroleerd, hiervoor worden de kolomnamen in de header regel gebruikt. -Daarnaast is in \autoref{app:CharacteristicPoints} opgenomen of de kolom verplicht is of niet. +Daarnaast is in \autoref{app:LocationParameters} opgenomen of de kolom verplicht is of niet. Een project bestaande uit alleen *.csv bestanden bevat minimaal (afhankelijk van de toepassing) de volgende bestanden: -\begin{itemize} +\begin{itemize}[noitemsep, nolistsep] \item locations.csv \item surfacelines.csv (zie \autoref{sec:Dwarsprofielgeometrie}) \item characteristicpoints.csv (zie \autoref{sec:Dwarsprofielgeometrie}) @@ -849,14 +851,14 @@ \item soils.csv (zie \autoref{sec:3.4.5}) \end{itemize} -Daarnaast dient voor de ontwerp mode het bestand \textit{sceanrios.csv} aanwezig te zijn. +Daarnaast dient voor de ontwerp mode het bestand \textit{scenarios.csv} aanwezig te zijn. Tot slot dienen alle bestanden in dezelfde map te staan. \chapter{Configureren DAM} In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de wijze waarop DAM de invoer van de data georganiseerd heeft. DAM werkt aan de hand van projecten. -Deze worden aangemaakt door basisdata in te lezen (zie handleiding deel A). +Deze worden aangemaakt door basisdata in te lezen (zie \autoref{chp:Projectdata}). De informatie over welke basisdata wordt ingelezen en waar deze basisdata vandaan komt, is vastgelegd in een DAM databronbestand (*.defx). Feitelijk is dit een kruisverwijzing tabel (mapping table). @@ -872,15 +874,15 @@ \section{DAM Databronbestand} De DAM databronbestand (*.defx) is feitelijk een *.xml bestand en legt vast waar de bronbestanden staan en welke basisdata uit deze bronbestanden gehaald moet worden. Het bestaat dan ook uit twee gedeeltes: -\begin{enumerate} +\begin{enumerate}[noitemsep, nolistsep] \item DataSourceList waarin de locaties van de bronbestanden gedefinieerd worden \item DataAttributes waarin per parameter (benodigd voor DAM) wordt aangeven in welke shape bestand en in welke attribuut kolom deze zich bevindt. Voor verdere beschrijving van de opbouw van de shape bestanden zie \autoref{chp:Projectdata} en \autoref{app:CharacteristicPoints}. \end{enumerate} \subsection{Databronnen} Zoals reeds beschreven in hoofdstuk 3 kent DAM de volgende databronnen: -\begin{enumerate} +\begin{enumerate}[noitemsep, nolistsep] \item Comma seperated files (*.csv) \item Achtergrondkaart \item Shape bestanden @@ -898,24 +900,24 @@ In de DataSourceList in het DAM databronbestand (*.defx) staat de locatie van deze bronbestanden aangegeven. Onderstaand wordt verder ingezoomd op het DAM databron bestand (*.defx), waarbij een voorbeeld mapstructuur gehanteerd wordt. -\textbf{Ad 1 \quad Comma seperated bestanden} -\begin{verbatim} -DataSourceType="CsvFiles" DataLocation="csvfiles\" / -\end{verbatim} +\textbf{Ad 1 \quad Comma seperated bestanden} \\ +\begin{scriptsize} +\texttt{DataSourceType="CsvFiles" DataLocation="csvfiles\" /} +\end{scriptsize} Hierbij wordt aangegeven dat de csv-bestanden in een map genaamd ‘csvfiles’ bevinden en dat deze map zich op hetzelfde niveau bevindt als het DAM databronbestand (*.defx). -\textbf{Ad 2 \quad Achtergrondkaart} -\begin{verbatim} -DataSourceType="BackgroundShapeFiles" DataLocation="..\shapefiles\Top50.shp" / -\end{verbatim} +\textbf{Ad 2 \quad Achtergrondkaart} \\ +\begin{scriptsize} +\texttt{DataSourceType="BackgroundShapeFiles" DataLocation="..$\backslash$shapefiles$\backslash$Top50.shp" /} +\end{scriptsize} Hierbij wordt aangegeven dat de shape ‘Top50’ gebruikt moet worden als achtergrond en dat deze in een map genaamd ‘shapefiles’ zit en dat deze map zich een niveau hoger bevindt dan het DAM databronbestand (*.defx). Deze data source hoeft niet aanwezig te zijn. -\textbf{Ad 3 \quad Shape bestanden} -\begin{verbatim} -DataSourceType="DataShapeFiles" DataLocation="..\shapefiles\" / -\end{verbatim} +\textbf{Ad 3 \quad Shape bestanden} \\ +\begin{scriptsize} +\texttt{DataSourceType="DataShapeFiles" DataLocation="..$\backslash$shapefiles$\backslash$" /} +\end{scriptsize} Hierbij wordt aangegeven dat de shape bestanden zich in de map, genaamd ‘shapefiles’, bevinden en dat deze shapefile-map in een niveau hoger zit dan het DAM databron bestand (*.defx). @@ -926,18 +928,19 @@ De naam van de parameter is vastgelegd en kan niet aangepast worden. Het bronbestand en de attributes zijn door de gebruiker zelf te definiëren. -Voorbeeld -\begin{verbatim} -Id="PolderLevel" DataSource="PolderLevel.shp" Name="PLHIGH" / -\end{verbatim} +Voorbeeld \\ +\begin{scriptsize} +\texttt{Id="PolderLevel" DataSource="PolderLevel.shp" Name="PLHIGH" /} +\end{scriptsize} + Hiermee wordt aangegeven dat de invoerparameter ‘Polderlevel’ uit de shapefile ‘Polderlevel.shp’ gehaald dient te worden. Een shape file kan meerdere attributen bevatten, daarom is er nog een verwijzing naar het attribuut nodig: ‘PLHIGH’. -De naam (id) van de parameter ligt vast in DAM en kan niet aangepast worden (rood), bronbestand en attribute wel (groen): -\begin{verbatim} -Id="\textcolor[rgb]{1,0,0}{PolderLevel}" DataSource="\textcolor[rgb]{0,0.58,0}{PolderLevel.shp}" Name="\textcolor[rgb]{0,0.58,0}{PLHIGH}" / -\end{verbatim} +De naam (id) van de parameter ligt vast in DAM en kan niet aangepast worden (rood), bronbestand en attribute wel (groen): \\ +\begin{scriptsize} +\texttt{Id="\textcolor[rgb]{1,0,0}{PolderLevel}" DataSource="\textcolor[rgb]{0,0.58,0}{PolderLevel.shp}" Name="\textcolor[rgb]{0,0.58,0}{PLHIGH}" /} +\end{scriptsize} -\FingerPointing{Om snel te kunnen starten met DAM is een handige ingang om het databronbestand (*.defx) uit bijlage E aan te passen +\FingerPointing{Om snel te kunnen starten met DAM is een handige ingang om het databronbestand (*.defx) uit \autoref{app:VoorbeeldDefx} aan te passen zodat de naamgeving van de te gebruiken shape bestanden overeenkomen met de namen bij het waterschap; dat wil zeggen DataSource en Name moet overeenkomen met de namen van de shape bestanden.} @@ -947,7 +950,7 @@ DAM maakt gebruik van verschillende schematiseringalgoritmen. Deze zijn opgenomen in verschillende modules welke los, of in combinatie met elkaar, gebruikt worden. Op hoofdlijnen betreft het de volgende modules: -\begin{enumerate} +\begin{enumerate}[noitemsep, nolistsep] \item Waterspanningen generatie (zie \autoref{sec:5.1}). \item RRD Scenarioselectie (zie \autoref{sec:5.2}). \item Geometrie adaptatie (zie \autoref{sec:5.3}). @@ -965,7 +968,7 @@ \section{Waterspanningen generatie} \label{sec:5.1} Voor de generatie van de waterspanningen maakt DAM gebruik van een aantal stappen. -\begin{enumerate} +\begin{enumerate}[noitemsep, nolistsep] \item Schematisering freatisch vlak (zie \autoref{sec:5.1.1}). \item Initiële schematisering stijghoogtes (zie \autoref{sec:5.1.2}). \item Controle op opdrijven (zie \autoref{sec:5.1.3}). @@ -998,6 +1001,7 @@ De waarde kan opgegeven worden (attribuut: HeadPL3). Als er geen waarde opgegeven is dan wordt PL3 gelijkgesteld aan de buitenwaterstand opgegeven in de scenario’s (zie \autoref{sec:Waterstandgegevens}). \newline +\newline Ter plaatse van de binnenteen (zie \autoref{fig:DemingsfactorEnReductiePiezolijn}) hangt de waarde van PL3 af van de opgegeven dempingsfactor (attribuut: DampingPL3). Deze dempingsfactor, waarbij 0 betekent geen demping (PL3 is constant). De waarde 1 suggereert volledige demping tot PL2 (attribuut: PL2). @@ -1027,7 +1031,7 @@ \subsection{Schematisering freatisch vlak (PL1)} \label{sec:5.1.1} In DAM zijn momenteel twee verschillende methoden beschikbaar om de ligging van het freatisch vlak te schematiseren: -\begin{enumerate} +\begin{enumerate}[noitemsep, nolistsep] \item ExpertKnowledgeRRD \item ExpertKnowledgeLinearInDike \end{enumerate} @@ -1090,7 +1094,7 @@ Daarnaast corrigeert DAM of het freatisch vlak ter plaatse van punt E, F en G niet hoger ligt dan de voorgaande punten (zie \autoref{fig:SchematiseringFreatischVlakMetCorrectie}). Punt C en D mogen wel hoger liggen dan punt B. -\begin{figure}[h] +\begin{figure}[H] \centering \includegraphics[width=1.00\textwidth]{Pictures/SchematiseringAlgoritmenDAM/SchematiseringFreatischVlakMetCorrectie.png} \caption{Schematisering freatisch vlak binnenwaartse stabiliteit bij gebruik ExpertKnowledgeRRD} @@ -1107,7 +1111,7 @@ Als dit niet gewenst is kan de gebruiker de \textit{water\_height} gelijkstellen aan de \textit{water\_height\_low}. DAM gebruikt namelijk altijd de \textit{water\_heigth\_low} voor het bepalen van punt A bij het uitvoeren van een buitenwaartse stabiliteitsanalyse. -\begin{figure}[h] +\begin{figure}[H] \centering \includegraphics[width=1.00\textwidth]{Pictures/SchematiseringAlgoritmenDAM/SchematiseringFreatischVlakBuitenwaartse.png} \caption{Schematisering freatisch vlak buitenwaartse stabiliteit bij gebruik ExpertKnowledgeRRD} @@ -1125,7 +1129,7 @@ Hier verloopt het freatisch vlak van het snijpunt van de beschouwde buitenwaterstand (Punt A in \autoref{fig:SchematiseringFreatischVlakBuitenwaartseExpertKnowledgeLineairInDike}) met het buitentalud lineair naar punt E en vervolgens naar punt F. -\begin{figure}[h] +\begin{figure}[H] \centering \includegraphics[width=1.00\textwidth]{Pictures/SchematiseringAlgoritmenDAM/SchematiseringFreatischVlakBuitenwaartseExpertKnowledgeLineairInDike.png} \caption{Schematisering freatisch vlak buitenwaartse stabiliteit bij gebruik ExpertKnowledgeLineairInDike} @@ -1158,7 +1162,7 @@ DAM kan overweg met maximaal twee watervoerende lagen (aquifers, zie \autoref{sec:3.4.5}). Er is er altijd minimaal 1 nodig. Voor (stabiliteits)berekeningen kunnen in DAM verschillende opties worden gekozen om het verloop van de stijghoogte in verticale richting te schematiseren. -\begin{enumerate} +\begin{enumerate}[noitemsep, nolistsep] \item DAM Standaard \item Lineair \item Hydrostatisch @@ -1324,7 +1328,7 @@ van de belastingssituaties “Hydraulische kortsluiting” en “droogte”. Als gevolg van deze criteria is voor het toetsspoor Macro Stabiliteit Binnentalud (STBI) een aantal aspecten van belang waaronder: -\begin{itemize} +\begin{itemize}[noitemsep, nolistsep] \item Aanwezigheid van een veenkade; het attribuut ‘materiaaltypedijk’ geeft aan of het een droogte gevoelige kade is. \item optreden van hydraulische kortsluiting; \item optreden van opdrijven. @@ -1336,7 +1340,7 @@ Voor natte omstandigheden wordt gebruik gemaakt van het toetspeil (Attribuut: bp\_tp) en voor droge omstandigheden wordt het hoog boezempeil gebruikt (Attribuut: bp\_hbp). Het analyseren van deze aspecten kan ertoe leiden dat per combinatie van bodemopbouw en dwarsprofiel maximaal zeven scenario’s doorgerekend moeten worden. -In totaal zijn er 11 scenario’s gedefinieerd binnen de RRD scenarioanalyse zoals opgenomen in onderstaande \autoref{tab:OverzichtRRDScenarios}: +In totaal zijn er 11 scenario’s gedefinieerd binnen de RRD scenarioanalyse zoals opgenomen in onderstaande \autoref{tab:OverzichtRRDScenarios}. \FingerPointing{Vooralsnog werken 2D ondergronden niet met de RRD-scenarioselectie (zie \autoref{sec:5.2}). Daarnaast wordt binnen de RRD-scenarioselectie verondersteld dat de bodemopbouw voor piping en stabiliteit hetzelfde zijn. @@ -1405,7 +1409,7 @@ Hiervoor is DAM in staat om automatisch profielaanpassing te doen, op basis van een aantal uitgangspunten. De automatische profielaanpassing in DAM bestaat uit de volgende stappen: -\begin{enumerate} +\begin{enumerate}[noitemsep, nolistsep] \item Kruinverhoging (zie \autoref{sec:5.3.1}) \item Taludverflauwing (zie \autoref{sec:5.3.2}) \item Bermontwikkeling (zie \autoref{sec:5.3.4}) @@ -1418,7 +1422,7 @@ Indien de kruinhoogte (Z-waarde van karakteristiek punt ‘Buitenkruin’) gelijk of hoger is dan de opgeven DTH dan wordt het profiel niet aangepast. Indien het profiel lager is dan de opgegeven DTH dan past DAM de geometrie aan en creëert een nieuwe oppervlaktelijn (surface line). De nieuwe geometrie kan -\begin{enumerate} +\begin{enumerate}[noitemsep, nolistsep] \item op basis van de oorspronkelijk taludhellingen ($\alpha$ en $\beta$) en de oorspronkelijke kruinbreedte (B) (zie \autoref{fig:AangepasteGeometrieDTH}) worden bepaald of \item op basis van vooraf opgegeven waarden. \end{enumerate} @@ -1436,7 +1440,7 @@ \textbf{Ad 2} \\ Er kan door de gebruiker een nieuwe waarde voor profielaanpassingen gegeven worden door het bijbehorende vakje aan of uit te vinken. De parameters die handmatig gekozen worden staan onderstaand opgesomd. Indien een vakje uitgevinkt staat, wordt de standaardoptie conform Ad 1 gebruikt. -\begin{itemize} +\begin{itemize}[noitemsep, nolistsep] \item Kruinbreedte (UseNewDikeTopWidth, NewDikeTopWidth) \item Helling binnenzijde (UseNewDikeSlopeInside, NewDikeSlopeInside) \item Helling buitenzijde (UseNewDikeSlopeOutside, NewDikeSlopeOutside) @@ -1476,7 +1480,7 @@ Als door de geometrie aanpassing de nieuwe dijkbasis dusdanig breed wordt dat de gehele initiële geometrie binnen het aangepaste profiel valt, dan worden alle tussenliggende geometriepunten, inclusief de karakteristieke punten van de binnenberm, verwijderd (zie \autoref{fig:AangepasteGeometrieToegenomenDijkbasis}). -\begin{figure} +\begin{figure}[H] \centering \includegraphics[width=1.00\textwidth]{Pictures/SchematiseringAlgoritmenDAM/AangepasteGeometrieMetStartpuntAanpassingBuitenteenEnToegenomenDijkbasis.png} \caption{Aangepaste geometrie met startpunt geometrie buitenteen en toegenomen dijkbasis} @@ -1491,7 +1495,7 @@ Daarbij houdt de sloot zijn oorspronkelijke afmetingen. Zie \autoref{fig:VerschuivingTeensloot}. Daarnaast kan de gebruiker nieuwe gewenste parameters voor de sloot opgeven: -\begin{itemize} +\begin{itemize}[noitemsep, nolistsep] \item Toegestane afstand binnenteen-sloot \item Nieuwe definitie sloot: \begin{itemize} @@ -1513,7 +1517,7 @@ Na de aanpassing van de kruinhoogte naar DTH (indien nodig), zal DAM eerst een stabiliteitssom uitvoeren. Indien de veiligheidsfactor niet voldoet aan de opgegeven norm, zal DAM de geometrie aanpassen tot deze wel voldoet. Hier zijn twee opties mogelijk: -\begin{enumerate} +\begin{enumerate}[noitemsep, nolistsep] \item Optimaal taludverflauwing en bermaanleg \item Eerst taludverflauwwing en daarna bermaanleg \end{enumerate} @@ -1550,7 +1554,7 @@ \end{figure} De gebruiker kan nieuwe gewenste parameters voor de taludontwikkeling opgeven: -\begin{itemize} +\begin{itemize}[noitemsep, nolistsep] \item Taludverflauwing start cotangent \item Taludverflauwing eind cotangent \item Taludvervlauwing stap cotantent @@ -1619,7 +1623,7 @@ Daarnaast biedt DAM de mogelijkheid om de geometrie aan te passen aan het ontwerp. De gebruiker kan volgende gewenste parameters voor de berm(ontwikkeling) opgeven. Deze worden alleen gebruikt indien het vinkje van de desbetreffende eigenschap is aangevinkt. -\begin{itemize} +\begin{itemize}[noitemsep, nolistsep] \item Helling bovenkant berm (UseNewShoulderTopSlope,NewShoulderTopSlope) \item Helling berm (UseNewShoulderBaseSlope, NewShoulderBaseSlope) \item Maximaal toegestane hoogte berm (UseNewMaxHeightShoulderAsFraction, NewMaxHeightShoulderAsFraction) @@ -1631,7 +1635,7 @@ De maximale zoekruimte is beperkt tot de maximale pipinglengte bij een theoretische deklaagdikte van 0 meter en het bepaalde potentiaalverschil tussen de buitenwaterstand en de binnenwaartse ligging van het freatisch vlak (L$_{\text{max}}$). -\begin{figure} +\begin{figure}[H] \centering \includegraphics[width=1.00\textwidth]{Pictures/SchematiseringAlgoritmenDAM/IteratieveBermontwikkelingPiping.png} \caption{Iteratieve bermontwikkeling bij piping} @@ -1669,7 +1673,7 @@ In het scherm berekening kan gekozen worden voor Systeem type faalmechanisme; binnen-, buitenwaartse stabiliteit en piping. Per faalmechanisme kan het gewenste model gekozen worden (Bishop, UpliftVan, of gecombineerd). Vervolgens zijn verschillende opties per type faalmechanisme mogelijk: -\begin{itemize} +\begin{itemize}[noitemsep, nolistsep] \item Zoekmethode : rekengrid of genetisch algoritme \item Bepaling tangentlijnen (alleen voor Uplift Van): op laagscheidingen of naar opgave afstand \item Bepaling grid: automatisch of naar opgave afstand @@ -1678,7 +1682,7 @@ \section{Gebruikte modellen stabiliteit} DAM kan gebruik maken van de volgende rekenmodellen uit \dgeostability (mits een licentie beschikbaar): -\begin{itemize} +\begin{itemize}[noitemsep, nolistsep] \item Bishop \item Uplift (LifVan) \item Horizontaal evenwichtRekeninstellingen op locatieniveau @@ -1693,22 +1697,22 @@ \section{Zonering} DAM biedt de mogelijkheid om zonering toe te passen op de volgende manieren. De optie is te kiezen in de locatietabel -\begin{enumerate} +\begin{enumerate}[noitemsep, nolistsep] \item Geen zone \item Zone gebieden \item Verboden zone \end{enumerate} -\textbf{Ad 1 Geen zone} \\ +\textbf{Ad 1 \quad Geen zone} \\ Bij deze optie wordt het glijvlak met de laagste veiligheidsfactor als uitkomt gegeven. -\textbf{Ad 2 Zone gebieden} \\ +\textbf{Ad 2 \quad Zone gebieden} \\ Bij deze optie wordt de zonering uit \dgeostability gebruikt. Er zijn meerdere zonegebieden, welke afhankelijk zijn van het minimaal benodigde restprofiel. Het resultaat is het glijvlak met de laagste veiligheidsfactor in een bepaald zonegebied. Glijcirkels die hierbuiten liggen worden genegeerd. -\textbf{Ad 3 Verboden zone} \\ +\textbf{Ad 3 \quad Verboden zone} \\ Deze optie geeft de mogelijkheid om handmatig een bepaalde verboden zone op te geven. De factor f geeft de grootte van het gebied aan waarin een glijcirkel geen intredepunt mag hebben, zie \autoref{fig:VerbodenZoneFactor}. @@ -1720,16 +1724,17 @@ \end{figure} \section{Gebruikte modellen piping} +\label{sec:GebruikteModellenPiping} Voor piping kan gekozen worden uit 2 opties: -\begin{enumerate} +\begin{enumerate}[noitemsep, nolistsep] \item Bligh \item Sellmeijer Revised (WBI) \end{enumerate} -\textbf{Ad 1 Bligh} \\ +\textbf{Ad 1 \quad Bligh} \\ Hier wordt gebruik gemaakt van de standaard piping regel van Bligh met een creep factor van 18: $L \geq H \; C_{\text{creep}}$ -\textbf{Ad 2 Sellmeijer Revised (WBI)} \\ +\textbf{Ad 2 \quad Sellmeijer Revised (WBI)} \\ De WBI-piping kernel kent drie sub-mechanismen; opdrijven (uplift), heave en terugschrijdende erosie (piping). DAM gebruikt alleen het sub-mechanisme terugschrijdende erosie. @@ -1795,7 +1800,7 @@ In het venster Eigenschappen tabblad Berekeningen zijn twee kolommen opgenomen waarin de controle van de berekeningen geregistreerd kunnen worden; nl. ‘Evaluatie’ en ‘Opmerkingen’. In de kolom ‘Evaluatie’ kan de status van de berekening evaluatie worden weergeven door middel van de keuzes; -\begin{itemize} +\begin{itemize}[noitemsep, nolistsep] \item Goedgekeurd \item Afgekeurd \item Niet geëvalueerd @@ -1822,7 +1827,7 @@ Deze map is in dezelfde map aangemaakt als waar het project bestand (*.DAMx) wordt opgeslagen. De .Calc bestaat uit de volgende mappen: -\begin{itemize} +\begin{itemize}[noitemsep, nolistsep] \item FMBishop. \item FMUpliftvan. \item Piping met als mogelijke submappen Bligh en SellMeijer Revised (WBI). @@ -1834,7 +1839,7 @@ Daarnaast bestaat ook de mogelijkheid om als gebruiker bepaalde resultaatbestanden aan te maken. De export bestanden wordt uitgevoerd door in de menubalk bestand-export te kiezen. Hierbij bestaan de volgende mogelijkheden: -\begin{itemize} +\begin{itemize}[noitemsep, nolistsep] \item scenario’s: een shapefile met alle berekeningen. \item bewaar berekeningsbestand; de \dgeostability file van de gekozen berekening. \item sla uitvoer plaatje op; slaat de wmf file van de gekozen berekening op. @@ -1856,14 +1861,21 @@ \begin{appendix} \chapter{Location parameters} -Onderstaande tabel geeft een overzicht van de door DAM gebruikte parameters (Name). -Daarbij is aangegeven het type van de parameter (Type), de dimensie (Unit), of de parameter verplicht is (required) en een korte omschrijving. -Als gewerkt wordt met shape files, mogen de attribuutnamen vrij gekozen worden. In de *.defx wordt dan de link gelegd tussen de parameter en de shape, inclusief attribuut. +\label{app:LocationParameters} +Onderstaande tabel geeft een overzicht van de door DAM gebruikte parameters (\textit{Name}). +Daarbij is aangegeven het type van de parameter (\textit{Type}), de dimensie (\textit{Unit}), +of de parameter verplicht is (\textit{Required}) en een korte omschrijving. +Als gewerkt wordt met shape files, mogen de attribuutnamen vrij gekozen worden. +In de *.defx wordt dan de link gelegd tussen de parameter en de shape, inclusief attribuut. Als gewerkt wordt met *.csv bestanden, dan zijn de parameternamen, zoals gepresenteerd in onderstaande tabel, de headernamen in het *.csv bestand. \begin{footnotesize} \begin{longtable}{|p{45mm}|p{10mm}|p{9mm}|p{12mm}|p{\textwidth-60pt-76mm}|} \hline \textbf{Name} & \textbf{Type} & \textbf{Unit} & \textbf{Required} & \textbf{Description} \\ \hline +\endfirsthead +\hline +\textbf{Name} & \textbf{Type} & \textbf{Unit} & \textbf{Required} & \textbf{Description} \\ +\endhead location\_id & StringId & - & yes & Name of location \\ \hline surfaceline\_id & StringId & - & yes & Reference to surfaceline \\ \hline segment\_id & StringId & - & yes & Reference to segment \\ \hline @@ -1991,6 +2003,10 @@ \begin{longtable}{|l|l|} \hline \textbf{Naam} & \textbf{Required} \\ \hline +\endfirsthead +\hline +\textbf{Naam} & \textbf{Required} \\ +\endhead LOCATIONID & Yes \\ \hline X\_Maaiveld binnenwaarts & Yes \\ \hline Y\_Maaiveld binnenwaarts & Yes \\ \hline @@ -2140,15 +2156,15 @@ \chapter{Voorbeeld soils.csv} \label{app:VoorbeeldSoilsCsv} Onderstaand een voorbeeld van een \textit{soils.csv}. -De koppeling met de grond profielen gebeurt met de soil\_name. +De koppeling met de grond profielen gebeurt met de \textit{soil\_name}. Deze naam dient dan ook uniek te zijn. In het voorbeeld is duidelijk te zien dat met de verschillende parameters gevarieerd kan worden afhankelijk van het gekozen model. Alle mogelijkheden zijn in onderstaande tabel weergegeven: \begin{table}[H] \begin{footnotesize} -\begin{tabular}{|p{55mm}|p{10mm}|p{10mm}|p{10mm}|p{\textwidth-60pt-85mm}|} \hline +\begin{tabular}{|p{40mm}|p{10mm}|p{10mm}|p{15mm}|p{\textwidth-60pt-75mm}|} \hline \textbf{Name} & \textbf{Type} & \textbf{Unit} & \textbf{Required} & \textbf{Description} \\ \hline soil\_name & StringId & - & yes & Name \\ \hline soil\_color & StringId & - & yes & Color \\ \hline