Index: DamClients/DamUI/trunk/doc/DAM UI - User manual/Pictures/DAMPictures.pptx =================================================================== diff -u -r4366 -r4413 Binary files differ Index: DamClients/DamUI/trunk/doc/DAM UI - User manual/DAM UI - User manual.tex =================================================================== diff -u -r4391 -r4413 --- DamClients/DamUI/trunk/doc/DAM UI - User manual/DAM UI - User manual.tex (.../DAM UI - User manual.tex) (revision 4391) +++ DamClients/DamUI/trunk/doc/DAM UI - User manual/DAM UI - User manual.tex (.../DAM UI - User manual.tex) (revision 4413) @@ -356,7 +356,7 @@ Dit kan vooral handig zijn, indien er op meerdere beeldschermen wordt gewerkt. Indien de gebruiker terug wil naar de default instellingen, kan dit met de reset-knop in de menubalk. -Elk venster kent een menubalk met verschillende knoppen (\autoref{sec:MenubalkKnoppen}). +Elk venster kent een menubalk met verschillende knoppen. \section{Hoofdvenster} \label{sec:Hoofdvenster} @@ -412,6 +412,14 @@ \label{fig:NavigatorVenster} \end{figure} +\todo{See comments of Onno van Logchem and Mieke Huisman:\\ +Onno van Logchem\\ +ik dacht dat je per keer maar met een dijkring tegelijk kan rekenen.\\ +15-07-2019\\ +Mieke Huisman\\ +Ja, ik kon niet met 2 rekenen...\\ +15-07-2019} + \section{Kaartvenster} \label{sec:Kaartvenster} Dit venster heeft de volgende tabbladen: @@ -455,7 +463,7 @@ \label{sec:Afbeelding} Dit tabblad laat de afbeelding zien van de geselecteerde stabiliteitsberekening. Het selecteren van de locatie is niet voldoende, omdat een locatie veelal meerdere stabiliteitsberekeningen kent. -Berekeningen kunnen geselecteerd worden in het tabellen venster, tab ‘tabellen, tab ‘berekeningen. +Berekeningen kunnen geselecteerd worden in het tabellen venster, tab Tabellen, tab Berekeningen. \subsection{Kaart} \label{sec:Kaart} @@ -509,6 +517,8 @@ \label{fig:TabellenVenster} \end{figure} +\todo{See comment of Onno van Logchem: afbeelding komt niet overeen met UI} + \begin{longtable}{p{7mm}p{\textwidth-24pt-7mm}} \ghline \includegraphics[height=6mm]{Pictures/UserInterface/Knoppen/Tabellen-Toevoegen.png} & \textbf{Toevoegen}: Voeg rij toe. \\ \ghline @@ -557,8 +567,9 @@ \begin{figure}[H] \centering - \includegraphics[width=0.5\textwidth]{Pictures/UserInterface/EigenschappenVensterHoogtegeometrieTab.png} - \caption{Eigenschappenvenster - Tabblad Hoogtegeometrie} + \includegraphics[width=0.4\textwidth]{Pictures/UserInterface/EigenschappenVensterHoogtegeometrieTab.png} + \caption{Eigenschappenvenster - Tabblad Hoogtegeometrie} + \label{fig:TabbladHoogtegeometrie} \end{figure} Indien in het menu voor berekening-opties wordt gekozen, verschijnt het berekeningentabblad in het eigenschappenscherm. @@ -580,11 +591,12 @@ \begin{figure}[H] \centering - \includegraphics[width=1.00\textwidth]{Pictures/UserInterface/BestandNieuw.png} + \includegraphics[width=0.6\textwidth]{Pictures/UserInterface/BestandNieuw.png} \caption{Nieuwe project} \label{fig:BestandNieuw} \end{figure} +\textbf{Project specificatie} \\ Bij \nameref{sec:Berekeningstype} kan gekozen worden voor: \begin{itemize}[noitemsep, nolistsep] \item Ontwerp (rekenen met of zonder geometrie aanpassing) @@ -621,41 +633,6 @@ Nadat Ok is geselecteerd, wordt de data geïmporteerd en het DAM-projectbestand aangemaakt. Bij Cancel wordt opstart van een nieuw project geannuleerd. -\section{Menubalk knoppen} -\label{sec:MenubalkKnoppen} - -De menubalken kunnen diverse knoppen bevatten. -Hieronder volgt een uitleg per knop. - -\begin{tabular}{|l|l|} \hline -\multicolumn{2}{|l|}{Menubalk} \\ \hline -\includegraphics{Pictures/UserInterface/Knoppen/Menu-Nieuw.png} & Nieuw \newline Maak een nieuw bestand \\ \hline -& Open project \\ \hline -& Sla project op \\ \hline -& Undo \\ \hline -& Redo \\ \hline -& Bereken \\ \hline -& Stop berekening \\ \hline -& Herstel vensters \\ \hline -& Kopiëren \\ \hline -& Plakken \\ \hline -& Aanpassen (kolombreedte) \\ \hline -& Wijzig (inhoud) \\ \hline -& Wijzig (eenheid) \\ \hline -& Selecteer \\ \hline -& Verschuif \\ \hline -& Exporteer \\ \hline -& Zoom per rechthoek \\ \hline -& Zoom naar limiet: zoomt naar hele gebied \\ \hline -& Zoom data: zoomt naar de geselecteerde dwarsprofielen \\ \hline -& Toon legenda; verschijnt in het venster Eigenschappen \\ \hline -& Openen bestand: toevoegen van extra kaartlagen \\ \hline -& Opslaan huidige kaartlaag \\ \hline -& Opslaan kaart \\ \hline -& Toon kaartlaag van OpenStreetMap \\ \hline -& Zoom naar geselecteerde locatie \\ \hline -\end{tabular} - \chapter{Projectdata} \label{chp:Projectdata} \section{Inleiding} @@ -675,19 +652,37 @@ Op globaal niveau kunnen de benodigde gegevens onderverdeeld worden: \begin{itemize}[noitemsep, nolistsep] - \item Locatiedefinitie (\autoref{sec:Locatiedefinitie}) - \item Dwarsprofielgeometrie (\autoref{sec:Dwarsprofielgeometrie}) - \item Ondergrondmodel (\autoref{sec:Ondergrondmodel}) - \item Locatiegegevens (\autoref{sec:Locatiegegevens}) - \item Waterstandgegevens (\autoref{sec:Waterstandgegevens}) + \item \nameref{sec:Locatiedefinitie} + \item \nameref{sec:Dwarsprofielgeometrie} + \item \nameref{sec:Ondergrondmodel} + \item \nameref{sec:Locatiegegevens} + \item \nameref{sec:Waterstandgegevens} \end{itemize} +Voor alle data geldt dat de volgende karakters geaccepteerd worden: +\begin{verbatim} +ABCDEFGHIJKLMNOPQRSTUVWXYZ +abcdefghijklmnopqrstuvwxyz +01234567879 +!#%$ &()*+,-. +:;<=>?@ +[\]^_`" "{|}~ +" " (space) +\end{verbatim} + \section{Locatiedefinitie} \label{sec:Locatiedefinitie} DAM voert berekeningen uit per locatie (dwarsprofielniveau), dus niet per vak. Overigens wordt een locatie wel representatief geacht voor een bepaalde strekking van de waterkering. Echter, binnen dit document wordt hier niet verder op ingegaan en wordt doorverwezen naar de vigerende handreikingen, technische rapportages et cetera. +\begin{figure}[H] + \centering + \includegraphics[width=0.8\textwidth]{Pictures/Projectdata/VoorbeeldLocatie.png} + \caption{Voorbeeld van een locatie, inclusief attribuuttabel, binnen het DAM concept} + \label{fig:VoorbeeldLocatie} +\end{figure} + Binnen DAM wordt de ligging van een dwarsprofiel vastgelegd door de ‘Locatie’ (zie \autoref{fig:VoorbeeldLocatie}). Een locatie is een punt en wordt ruimtelijk gedefinieerd door een XY-coördinaat. Als gewerkt wordt met shape bestanden, dan bevat de attribuut tabel voor de locatie shape de volgende (hard gedefinieerde) attributen: @@ -703,12 +698,6 @@ Dit kan problemen opleveren in de verdere verwerking van de bestanden. Daarnaast mogen spaties ook niet, hiervoor kan een underscore (\_) gebruikt worden als koppelteken. -\begin{figure}[H] - \centering - \includegraphics[width=0.8\textwidth]{Pictures/Projectdata/VoorbeeldLocatie.png} - \caption{Voorbeeld van een locatie, inclusief attribuuttabel, binnen het DAM concept} - \label{fig:VoorbeeldLocatie} -\end{figure} Naast de locaties dient ook de ligging van de cross-sections geïmporteerd te worden. De cross-sections zijn gedefinieerd van de buitenwaartse zijde van het dijklichaam richting de binnenwaartse zijde. @@ -726,46 +715,52 @@ \end{figure} De locaties en cross-sections worden gebruikt om bij het importeren van gegevens uit shapes de gegevens te koppelen aan de juiste locatie. -Afhankelijk van het type shape; lijnen (\autoref{sec:DataExtractieUitLijnen}) of vlakken (\autoref{sec:DataExtractieUitVlakken}), worden de cross-sections of locaties gebruikt. +Afhankelijk van het type shape; lijnen of vlakken, worden de cross-sections of locaties gebruikt. +Zie \autoref{sec:DataExtractie}. \subsection{Data extractie} \label{sec:DataExtractie} +De locaties en cross-sections worden gebruikt om bij het importeren van gegevens uit shapes de gegevens te koppelen aan de juiste locatie. +Afhankelijk van het type shape; lijnen of vlakken, worden de cross-sections of locaties gebruikt. \\ +Locatie: punt (X,Y coördinaten) die het te berekenen dwarsprofiel aangeeft. \\ +Cross-section: lijn (in X,Y coördinaten) op de kaart van het te berekenen dwarsprofiel. \\ \subsubsection{Data-extractie uit lijnen-shape} \label{sec:DataExtractieUitLijnen} -Als een parameter opgenomen is in een lijnen-shape, dan zal DAM tijdens het importeren per cross-section nagaan of de cross-section snijdt met de geïmporteerde lijnen-shape. -Ter verduidelijking is in \autoref{fig:VoorbeeldDataExtractieUitLijnenShape} een voorbeeld opgenomen waarbij een cross-section snijdt (binnen de groene cirkel) -met de lijn waarin het dijksmateriaal van de regionale kering is opgenomen. -In dit geval ‘Klei’. - -\begin{figure}[H] - \centering - \includegraphics[width=0.8\textwidth]{Pictures/Projectdata/VoorbeeldDataExtractieUitLijnenShape.png} - \caption{Voorbeeld dataextractie uit een lijnen-shape} - \label{fig:VoorbeeldDataExtractieUitLijnenShape} -\end{figure} - +In een shape-bestand, genaamd crosssections.shp (verplichte naam), +worden de cross sections opgegeven met een (verplicht) attribuut LocationID om de koppeling tussen de locaties (punten) +en cross sections (lijnen) aan te geven. +Wanneer een parameter opgenomen is in een lijnen-shape, dan zal DAM tijdens het importeren per cross-section nagaan of de cross-section snijdt met de geïmporteerde lijnen-shape. +Ter verduidelijking is in \autoref{fig:VoorbeeldDataExtractieUitLijnenShape} een voorbeeld opgenomen waarbij een cross-section snijdt (binnen de groene cirkel) met de lijn waarin het dijksmateriaal van de regionale kering is opgenomen. +In dit geval ‘Klei’. \\ Het mogen duidelijk zijn dat een cross-section niet mag snijden met meerdere lijnen per locatie. Dit om meerduidigheid te voorkomen. Als DAM tijdens het importeren vaststelt dat de cross-section meerdere snijpunten vindt, of geen enkele, dan wordt voor deze specifieke locatie een foutmelding gegenereerd. +\begin{figure}[H] + \centering + \includegraphics[width=0.8\textwidth]{Pictures/Projectdata/VoorbeeldDataExtractieUitLijnenShape.png} + \caption{Voorbeeld dataextractie uit een lijnen-shape} + \label{fig:VoorbeeldDataExtractieUitLijnenShape} +\end{figure} + \subsubsection{Data-extractie uit vlakken-shape} \label{sec:DataExtractieUitVlakken} Als een parameter opgenomen is in een vlakken-shape, dan zal DAM tijdens het importeren per locatie nagaan of de locatie in een vlak valt binnen de vlakken-shape. In \autoref{fig:VoorbeeldDataExtractieUitVlakkenShape} is een voorbeeld weergegeven waar een specifieke locatie valt in het vlak waarin de polderpeilen hoog (PLHigh = -0,5 m) en laag (PLLow = -0,5 m) opgenomen zijn. -\begin{figure}[H] - \centering - \includegraphics[width=0.8\textwidth]{Pictures/Projectdata/VoorbeeldDataExtractieUitVlakkenShape.png} - \caption{Voorbeeld dataextractie uit een vlakken-shape} - \label{fig:VoorbeeldDataExtractieUitVlakkenShape} -\end{figure} - Als alleen gewerkt wordt met *.csv bestanden, dan dienen de locatie en cross-line shape niet aangemaakt te worden. De ligging van de locaties wordt dan vastgelegd in de \textit{locations.csv} (zie \autoref{sec:CsvFilesGebruiken}). +\begin{figure}[H] + \centering + \includegraphics[width=0.8\textwidth]{Pictures/Projectdata/VoorbeeldDataExtractieUitVlakkenShape.png} + \caption{Voorbeeld dataextractie uit een vlakken-shape} + \label{fig:VoorbeeldDataExtractieUitVlakkenShape} +\end{figure} + \section{Dwarsprofielgeometrie} \label{sec:Dwarsprofielgeometrie} De hoogte ligging van een dijkprofiel wordt beschreven door een opeenvolgende reeks van punten welke onderling verbonden worden met rechte lijnstukken. @@ -810,15 +805,30 @@ Deze namen zijn hard en mogen dus niet vrij gekozen worden. +NB: de dwarsprofielgeometrie staat los van cross sections. +De cross sections is een shape bestand om per locatie aan te geven welke data uit lijnenshapes gehaald moet worden, +zie \nameref{sec:DataExtractie}. + \subsection{Hoogtegeometrie (surface lines)} \label{sec:Hoogtegeometrie} Het \textit{surfacacelines.csv} bevat de volledige geometrie informatie, dus alle X, Y en Z coördinaten. -Zo kan, bijvoorbeeld, elke 0,5m langs het profiel een profielpunt opgenomen worden in het bestand. +Profielen kunnen worden gegenereerd uit bijvoorbeeld AHN-bestanden. +Voor stabiliteitsberekeningen dient wel gelet te worden op het aantal geometriepunten. +In pre-processen en visualisaties (bepaling grens/waterspanningen) worden berekeningen per profielpunt uitgevoerd, +dus onnodig veel punten vertraagt het systeem. +De naam surfacelines.csv is hard en mag niet aangepast worden. -De \textit{surfacelines.csv} zijn sequentiële bestanden. Hiermee wordt bedoeld dat de punten opeenvolgend langs een rechte op het profiel liggen. +\paragraph*{Voorwaarden} +De \textit{surfacelines.csv} zijn sequentiële bestanden. +Hiermee wordt bedoeld dat de punten opeenvolgend langs een rechte op het profiel liggen. Met het inlezen van de punten wordt de afstand tussen het eerste punt van het profiel en het ingelezen punt steeds groter. -Daarnaast mogen geen dubbele punten (coördinaten) voorkomen in het bestand. Bij een niet-sequentiële oppervlaktelijn zal DAM een foutmelding genereren. +Daarnaast mogen geen dubbele punten (coördinaten) voorkomen in het bestand. +Bij een niet-sequentiële oppervlaktelijn zal DAM een foutmelding genereren. +Er mogen geen verticale lijnen voorkomen in de surfaceline. +DAM rondt af op 3 decimalen. +Punten kunnen dus in het bronbestand verschillend zijn, maar na afronding in DAM hetzelfde. + Om vergissingen in de oriëntatie van profielen te voorkomen worden de profielen altijd aangeleverd van de \underline{buitenkant, naar de binnenkant}. Dus van de zee/rivier/boezemzijde naar de landzijde. De punten in het profiellijnenbestand lopen dan ook van “buiten” naar “binnen”. @@ -838,15 +848,15 @@ VDP5 & 82816.16 & 447367.4 & -1.3 & 82815.42 & 447366.9 & -2.2 & 82812.22 & 447364.7 & ... \\ \hline VDP6 & 82882.06 & 447278.1 & -1.3 & 82881.34 & 447277.6 & -2.2 & 82877.1 & 447274.5 & ... \\ \hline \end{tabular} -\caption{VoorbeeldSurfaceLinesCsv} +\caption{Voorbeeld van surfacelines.csv} \label{tab:VoorbeeldSurfaceLinesCsv} \end{scriptsize} \end{table} -\FingerPointing{Als gebruik gemaakt wordt van bestaande \dgeostability sommen dan dient de surface-line uit de \dgeostability invoer gehaald te worden (valt buiten de scope van dit document). +\FingerPointing{Wanneer gebruik gemaakt wordt van bestaande \dgeostability sommen dan dient de surface-line uit de \dgeostability invoer gehaald te worden (valt buiten de scope van dit document). Echter, \dgeostability maakt gebruik van een 2 dimensionale schematisering; Lengte (X) en hoogte (Z). -Om deze invoer toch te gebruiken in DAM kan voor Y de waarde 0 ingevoerd worden in de \textit{surfaceline.csv}. -Echter, het is natuurlijk ook mogelijk om (buiten DAM) de 2D coördinaten doormiddel van een datumtransformatie om te zetten naar RD coördinaten +Om deze invoer toch te gebruiken in DAM kan voor Y de waarde 0 ingevoerd worden in de \textit{surfacelines.csv}. +Echter, het is natuurlijk ook mogelijk om (buiten DAM) de 2D coördinaten door middel van een datumtransformatie om te zetten naar RD coördinaten en NAP hoogtes op basis van een bekend punt en de kaarthoek van de geometrie (cross-section).} \subsection{Karakteristieke punten (characteristic points)} @@ -863,26 +873,77 @@ \includegraphics[width=1.00\textwidth]{Pictures/Projectdata/KarakteristiekePunten.png} \caption{Karakteristieke punten weergegeven in het dwarsprofiel} \label{fig:KarakteristiekePunten} -\end{figure} +\end{figure} -Niet alle karakteristieke punten komen voor in elk profiel, zo kunnen sloten en/of bermen ontbreken, daarom zijn daaraan gerelateerde punten niet verplicht. -Deze, niet-aanwezige, karakteristieke punten worden wel vermeld in het bestand (\textit{characteristicpoints.csv}), waarbij de X, Y, Z-coördinaat voor alle drie -1 is. +Het \textit{characteristicpoints.csv} kan op diverse wijzen gegenereerd worden. \\ +Een mogelijkheid is om de tool \href{https://www.twisq.nl/site/dijkbeoordeling/}{Kliktool/qDAMEdit} te gebruiken. +Let op: hier wordt nog LOCATIONID gebruikt. +Dit wordt nog wel ondersteund door DAM maar kan verwarrend zijn met Location\_id uit de \textit{locations.csv}. +Dit kunnen dus twee verschillende parameters zijn. \\ +Een andere mogelijkheid is om de tool DAM Edit Design te gebruiken (zie \autoref{fig:ScreendumpDAMEditDesign}). \\ +Voor diverse tools, mogelijke werkwijzen en ervaringsgegevens wordt verwezen naar de \href{https://publicwiki.deltares.nl/display/DAM/Tools+en+hulpmiddelen}{DAM website (Tools en hulpmiddelen)}. + +Niet alle karakteristieke punten komen voor in elk profiel, zo kunnen sloten en/of bermen ontbreken, +daarom zijn daaraan gerelateerde punten niet verplicht. +Deze, niet-aanwezige, karakteristieke punten worden wel vermeld in het bestand (\textit{characteristicpoints.csv}), +waarbij de X, Y, Z-coördinaat voor alle drie -1 is. DAM interpreteert deze punten dan als niet aanwezig. -Sommige punten mogen samenvallen, bijvoorbeeld Kruin binnentalud en Verkeersbelasting kant binnenwaarts. -Andere punten, bijvoorbeeld de binnen en buitenkruin, mogen niet samenvallen. -Daarnaast mag de binnenteen nooit hoger liggen dan de binnenkruinlijn. +Nadat er een DAM-project is aangemaakt en de karakteristieke punten zijn ingelezen, +kan de ligging van de karakteristieke punten nog aangepast worden. +Zie \autoref{fig:TabbladHoogtegeometrie2}. + +\begin{figure}[H] + \centering + \includegraphics[width=0.5\textwidth]{Pictures/UserInterface/EigenschappenVensterHoogtegeometrieTab2.png} + \caption{Eigenschappenvenster - Tabblad Hoogtegeometrie} + \label{fig:TabbladHoogtegeometrie2} +\end{figure} + +Verschuiven is mogelijk door bij een punt 'Geen' aan te passen naar een punt, mits aan de voorwaarden voldaan blijft worden. DAM controleert op de geldigheid van de invoergegevens en geeft een foutmelding als niet aan de voorwaarden wordt voldaan. -Deze x-, y- en z- waarden van de karakteristiekenpunten, dienen in \textit{characteristicpoints.csv} achter elkaar en op dezelfde regel te worden geplaatst. -Per regel één dwarsprofiel (LOCATIONID). Daarnaast dienen de karakteristieke punten ook voor te komen in de \textit{surfaceline.csv}. -Met andere woorden de X, Y, Z-coördinaat van een karakteristiekpunt dient \underline{exact} hetzelfde voor te komen in de \textit{surfaclines.csv}. -Let hierbij op de afronding van de getallen. +\textbf{Voorwaarden:} +\begin{itemize} -De gebruikte LOCATIONID’s (profielnamen) dienen gelijk te zijn aan de LOCATIONID’s in de \textit{surfaceline.csv}, -maar ook aan de LOCATIONID’s in de \textit{locatie.shp} en \textit{cross-section.shp} (zie \autoref{fig:DAMLocatieBestanden}). -DAM koppelt namelijk de gegevens in deze bestanden met elkaar op basis van de LOCATIONID. -Dit is schematisch weergegeven in \autoref{fig:DAMLocatieBestanden}. + \item De naam ``characteristicpoints.csv'' mag niet aangepast worden. + + \item Verplichte karakteristieke punten moeten aanwezig zijn. + Dit zijn: Maaiveld buiten- en binnenwaarts, Teen dijk buiten- en binnenwaarts, Kruin buitentalud en Kruin binnentalud. + In \autoref{app:CharacteristicPoints} zijn de kolomnamen (karakteristieke punten) opgenomen welke aanwezig moeten zijn in de \textit{characteristicpoints.csv}. + Daarnaast is aangegeven welke punten verplicht zijn en welke niet. + + \item Karakteristieke punten (m.u.v. verkeersbelasting) mogen niet samenvallen. + Daarnaast mag de teen nooit hoger liggen dan de kruinlijn. + + \item Verkeersbelastingspunten mogen in de \textit{characteristicpoints.csv} wel samenvallen met andere karakteristieke punten; + het punt op de maaiveldlijn komt dan twee keer voor in de tabel, zie \autoref{fig:TabbladHoogtegeometrie2}. + Bij het verschuiven is het echter niet mogelijk om een verkeersbelastingspunt samen te laten vallen met een ander karakteristiek punt + omdat elk punt op de maaiveldlijn maar 1 keer in de tabel voorkomt. \\ + Tip: zorg voor voldoende punten op de hoogtegeometrie (\textit{surfacelines.csv}) om het verschuiven van de verkeersbelasting + naar elke gewenst punt mogelijk te maken. + + \item De karakteristieke punten dienen op volgorde te liggen, zie \autoref{fig:KarakteristiekePunten}, m.u.v. de verkeersbelasting. + + \item Sets van karakteristieke punten dienen compleet te zijn. + Sets zijn: bermen, sloot en verkeersbelasting. + Deze punten zijn niet verplicht, maar wanneer 1 van de punten aanwezig is, dienen ook de overige punten van de set aanwezig te zijn. + Bijvoorbeeld: insteek binnenberm wordt opgegeven, dan dient ook de kruin binnenberm aanwezig te zijn. + + \item De X-, Y- en Z-waarden van de karakteristiekenpunten dienen in \textit{characteristicpoints.csv} achter elkaar + en op dezelfde regel te worden geplaatst. + Per regel één dwarsprofiel (Profielnaam, oud: LOCATIONID). + Daarnaast dienen de karakteristieke punten ook voor te komen in de \textit{surfacelines.csv}. + Met andere woorden de X, Y, Z-coördinaat van een karakteristiekpunt dient \underline{exact} hetzelfde voor te komen + in de \textit{surfacelines.csv}. + Let hierbij op de afronding van de getallen. + + \item De gebruikte LOCATIONID’s (profielnamen) dienen gelijk te zijn aan de LOCATIONID’s in de \textit{surfaceline.csv}, + maar ook aan de LOCATIONID’s in de \textit{locatie.shp} en \textit{cross-section.shp} (zie \autoref{fig:DAMLocatieBestanden}). + DAM koppelt namelijk de gegevens in deze bestanden met elkaar op basis van de LOCATIONID. + Dit is schematisch weergegeven in \autoref{fig:DAMLocatieBestanden}. + +\end{itemize} \begin{figure}[H] \centering @@ -891,14 +952,6 @@ \label{fig:DAMLocatieBestanden} \end{figure} -Het \textit{characteristicpoints.csv} kan op diverse wijzen gegenereerd worden. -Een mogelijkheid is om de tool DAM Edit Design te gebruiken (zie \autoref{fig:ScreendumpDAMEditDesign}). -Echter, het gebruik van deze tool, als wel andere mogelijkheden, valt buiten de scope van dit document. -Voor diverse tools, mogelijke werkwijzen en ervaringsgegevens wordt verwezen naar de website (\url{http://oss.deltares.nl/web/dam}). - -In \autoref{app:CharacteristicPoints} zijn de kolomnamen (karakteristieke punten) opgenomen welke aanwezig moeten zijn in de \textit{characteristicpoints.csv}. -Daarnaast is aangegeven welke punten verplicht zijn en welke niet. - \begin{figure}[H] \centering \includegraphics[width=1.00\textwidth]{Pictures/Projectdata/ScreendumpDAMEditDesign.png} @@ -1020,7 +1073,18 @@ \subsection{Ondergrondopbouw} \label{sec:Ondergrondopbouw} -DAM kan gebruik maken van 1D (A) of 2D (B) ondergrondschematiserings. +DAM kan gebruik maken van 1D (A) of 2D (B) ondergrondschematiserings. \\ +Een 1D-ondergrondopbouw is een ondergrondopbouw in lagen. +Deze worden opgegeven in meters ten opzichte van NAP. +Er is geen koppeling met een geometrie: de lagen lopen oneindig door. +De bovenkant wordt dus weergegeven door het aantal meters tov NAP en is dus een oneindig vlak. +Pas wanneer de 1D-ondergrond wordt gecombineerd met een maaiveldlijn ontstaat er een ondergrondprofiel met begin en eind: een 2D-ondergrondopbouw. \\ +Een 2D-ondergrondopbouw bestaat uit ondergrondlagen, +al dan niet met schuine en/of verticale laagscheidingen en een bovenkant ondergrond, +weergegeven door een lijn met variabele hoogte (veelal de maaiveldlijn). +Deze maaiveldlijn kan een ruimtelijke ligging hebben (geografisch georiënteerd door RD-coördinaten), +maar deze wordt vertaald naar een lokaal assenstelsel. + Vooralsnog is het niet mogelijk om binnen één project 1D en 2D ondergrondschematiserings door elkaar te gebruiken voor het uitvoeren van stabiliteitsberekeningen. \textbf{A \quad 1D ondergrondschematiserings} \\ @@ -1034,6 +1098,8 @@ Deze naam dient ook terug te komen in de grondeigenschappendatabase (zie \autoref{sec:Grondeigenschappen}). \end{itemize} +In \autoref{app:VoorbeeldSoilprofilesCsv} is een beschrijving opgenomen van een \textit{soilprofiles.csv}. + DAM gaat er altijd vanuit dat de laatste laag in een 1D profiel een watervoerende laag is, bijvoorbeeld het pleistoceen. De schematisering moet dan ook doorlopen tot en met een watervoerende laag. @@ -1042,15 +1108,64 @@ Dit kan door in de laatste regel van het 1D profiel als \textit{soil\_name} “DummyForBottomLevel” op te nemen. De \textit{top\_level} wordt voor deze regel dan gezien als onderkant van de laag. -In \autoref{app:VoorbeeldSoilprofilesCsv} is een beschrijving opgenomen van een \textit{soilprofiles.csv}, met daar in opgenomen twee 1D ondergrondschematiserings. -Bij het eerste 1D profiel (Profiel\_1) is de onderkant van de onderste watervoerende laag opgenomen (blauw gearceerd). +In \autoref{tab:VoorbeeldSoilProfilesCsvBestand} is een voorbeeld opgenomen van een een \textit{soilprofiles.csv}, +met daar in opgenomen twee 1D ondergrondschematiserings. +Bij het eerste 1D profiel (Profiel\_1) is de onderkant van de onderste watervoerende laag opgenomen (\textcolor[rgb]{0,0,1}{blauw gearceerd}). Bij het tweede 1D profiel (Profiel\_2) is dit achterwege gelaten. De dikte van het Pleistoceen zal hier 20 meter zijn. +Alle 1D ondergrondprofielen worden daaraanvolgend, onder elkaar, in het bestand gezet. + +\begin{table}[H] +\begin{tabular}{|p{35mm}|p{35mm}|p{\textwidth-36pt-70mm}|} \hline +\textbf{soilprofile\_id} & \textbf{top\_level} & \textbf{soil\_name} \\ \hline +Profiel\_1 & 5 & Veen \\ \hline +Profiel\_1 & -2 & Klei1 \\ \hline +Profiel\_1 & -5 & Veen2 \\ \hline +Profiel\_1 & -5.5 & Klei1 \\ \hline +Profiel\_1 & -12 & Pleistoceen \\ \hline +\textcolor[rgb]{0,0,1}{Profiel\_1} & \textcolor[rgb]{0,0,1}{-18} & \textcolor[rgb]{0,0,1}{DummyForBottomLevel} \\ \hline +Profiel\_2 & 5 & Veen \\ \hline +Profiel\_2 & -2.5 & Klei2 \\ \hline +Profiel\_2 & -6 & Klei1 \\ \hline +Profiel\_2 & -11.3 & Pleistoceen \\ \hline +\end{tabular} +\caption{Voorbeeld van een soilprofiles.csv bestand} +\label{tab:VoorbeeldSoilProfilesCsvBestand} +\end{table} + +\paragraph*{Verschuiven van de 1D-ondergrondlagen} +Het is mogelijk om de 1D ondergrondlagen op te geven ten opzichte van het maaiveld. +Hiertoe wordt in het databronbestand (*.defx) een karakteristiek punt opgegeven ter referentie van de bovenkant van de 1D ondergrondprofielen. + +In het databronbestand wordt de volgende regel toegevoegd boven de DataSourceList:\\ +\begin{scriptsize} +\texttt{} +\end{scriptsize} + +Dit houdt in dat alle 1D-ondergrondprofielen ten opzichte van het karakteristiek punt Maaiveld binnenwaarts (SurfaceLevelInside) worden geschematiseerd. +Boven dit niveau wordt het ondergrondprofiel opgevuld met het materiaal, opgeven als ophoogmateriaaldijk. +In \autoref{fig:Samenstelling2DGeometrie} wordt maaiveld binnenwaarts als referentie gebruikt.\\ +Boven wordt het Ophoogmateriaal Dijk gebruikt, onder de laagscheidingen conform soilprofiles.csv. + +\begin{figure}[H] + \centering + \includegraphics[width=1.00\textwidth]{Pictures/Projectdata/Samenstelling2DGeometrie.png} + \caption{Verschuiving van 1D ondergrondprofiel} + \label{fig:Samenstelling2DGeometrie} +\end{figure} + +Let op: Deze functionaliteit is alleen getest met het maaiveld binnenwaarts als referentie +en de soilprofiles.csv waarbij alle profielen een bovengrens van 0~m kennen. +Afwijken van deze uitgangspunten kan mogelijk tot ongewenste geometrieën leiden en dienen goed gecontroleerd te worden. + \textbf{B \quad 2D ondergrondschematiserings} \\ Alleen voor macrostabiliteit (Bishop/UpliftVan) kunnen 2D profielen gebruikt worden. 2D ondergrondschematiserings dienen gemaakt te zijn met \dgeostability (of MStab). -De bestandsnaam van de \dgeostability geometrie (*.sti) wordt opgegeven in de \textit{segments.csv}, in de kolom soilgeometry2D (zie \autoref{sec:Ondergrondsegmenten}). +De bestandsnaam van de \dgeostability geometrie (*.sti) wordt opgegeven in de \textit{segments.csv}, +in de kolom \textit{soilgeometry2D} (zie \autoref{sec:Ondergrondsegmenten}). +De hele invoer in de sti-bestanden moeten geldig zijn om deze binnen DAM te kunnen gebruiken +(ofwel je moet er mee kunnen rekenen binnen \dgeostability zelf en geen foutmeldingen geven als je dat probeert te doen). \FingerPointing{Vooralsnog werken 2D ondergronden niet met de RRD-scenarioselectie (zie \autoref{sec:RRDScenarioanalyse}).} @@ -1081,7 +1196,7 @@ Deze lijn wordt dan opgeknipt overeenkomstig met de door de geoloog en/of geotechnisch ingenieur gedefinieerde ondergrond segmenten (zie \autoref{sec:InleidingOndergrondmodel} en \autoref{sec:Ondergrondsegmenten}). Vervolgens wordt per opgeknipt lijnstuk het \textit{segment\_id} ingevuld in de daartoe gedefinieerde attribuut (bijvoorbeeld SEGMENT). In \autoref{fig:VoorbeeldShapefileMetSegmenten} is een voorbeeld opgenomen. -In dit voorbeeld is gekozen om de shape ondergrondsegmentlijnen.shp te noemen. +In dit voorbeeld is gekozen om de shape \textit{ondergrondsegmentlijnen.shp} te noemen. De \textit{segment\_id} is terug te vinden in de attribuut Lijnnummer (rood omkaderd). De waarde (\textit{segment\_id}) is voor dit betreffende lijnstuk 36. @@ -1094,20 +1209,65 @@ \subsection{Grondeigenschappen} \label{sec:Grondeigenschappen} + +\paragraph*{soils.csv} De grondeigenschappen worden vastgelegd in \textit{soils.csv}. In de csv-file worden alle grondsoorten inclusief eigenschappen defineerd, welke benodigd zijn voor het uitvoeren van bishop/upliftvan en piping berekeningen. + Hierdoor zijn sommige parameters verplicht en andere niet. Voor niet verplichte parameters worden default waardes gehanteerd als er geen waarde opgegeven is in de invoer. \Autoref{app:VoorbeeldSoilsCsv} geeft een overzicht van alle mogelijke gegevens, inclusief omschrijving. +De namen van grondsoorten dienen overeen te komen met de namen van de grondsoorten in de 1D en/of 2D geometrieën. +DAM koppelt namelijk de grondeigenschappen op grondsoortnaam. +De naam van de grondeigenschappen database is altijd \textit{soils.csv}. + +\paragraph*{Aquifer} +Voor de correcte werking van de schematisering algoritme in DAM is er de eigenschap 'Is Aquifer' nodig. +Hoewel dit een laageigenschap is en geen materiaaleigenschap is deze toch opgenomen in de MSoilbase. +Alle overige parameters zijn model specifiek en terug te vinden in de handleiding van D-Geo Stability. + +Met 'Is aquifer' wordt aangegeven of het een watervoerende laag betreft. +DAM zal hier een PL lijn aan toekennen. +Een aangevinkte ‘check box’ betekent dat het een watervoerende laag betreft. + +Indien gebruik wordt gemaakt van reeds uitgevoerde D-Geostability berekeningen, +is het raadzaam om in de *.sti bestanden de grondsoortnamen van watervoerende lagen uit te breiden met de toevoeging wl\_ (watervoerende laag), +zodat deze grondlaag in de database direct herkenbaar is en aangevinkt kan worden als aquifer (watervoerend). + +\paragraph*{Schuifsterktemodel} +Per materiaal wordt het schuifsterktemodel opgegeven. +Deze worden verder toegelicht in \nameref{sec:Schuifsterktemodellen}. + +\paragraph*{D-Soil Model} +Indien gebruik wordt gemaakt van D-Soil Model dient men D-Soil Model versie XX (nog uit te brengen) te gebruiken.\\ +Hier zijn in de materiaal tabel de volgende filters mogelijk: +\begin{itemize}[noitemsep, nolistsep] + \item Alles + \item Macrostabiliteit - WBI + \item Macrostabiliteit - DGeostability2019 + \item Macrostabiliteit - DAM + \item Piping + \item Piping - DAM + \item Zettingsvloeiing +\end{itemize} + +Voor het gebruik in DAM, dienen de parameters bij Macrostabiliteit - DAM en/of Piping - DAM ingevuld te zijn. + +\subsection{Inlezen in D-Soil Model} +Het is mogelijk om de ondergrondbestanden,samen met de geometriegegevens +(\textit{surfaceline.csv} en \textit{characteristicpoints.csv}) in te lezen in D-Soil Model en op te slaan.\\ +Het *.soil bestand is vervolgens te importeren in DAM middels het volgende databronbestand:\\ +Naast de ondergrond en geometriegegevens zijn nog wel de locatiegevens +(hetzij in een csv bestand, hetzij in een combinatie csv-bestand en shapefiles) en scenario gegevens nodig. + \section{Locatiegegevens} \label{sec:Locatiegegevens} Naast de bovenbeschreven gegevens heeft DAM nog een aantal parameters nodig. Deze zijn afhankelijk van de toepassing. Daarnaast zijn sommige parameters verplicht en andere niet. Voor niet verplichte parameters worden default waardes gehanteerd als er geen waarde opgegeven is in de invoer. Default waardes zijn binnen DAM eenvoudig te herkennen aan de licht geel gekleurde cellen in de diverse tabellen. -\Autoref{app:LocationParameters} geeft een overzicht van alle mogelijke gegevens, inclusief omschrijving. \section{Waterstandgegevens} \label{sec:Waterstandgegevens} @@ -1163,7 +1323,7 @@ Indien geen shape bestanden beschikbaar zijn kan DAM ook gebruik maken van enkel *.csv bestanden. In een *.csv bestand zijn de gegevens al gekoppeld aan de LOCATIONID. -Alle parameters welke in shapes worden aangeleverd kunnen in *.csv worden opgenomen in \textit{location.csv}. +Alle parameters welke in shapes worden aangeleverd kunnen in *.csv worden opgenomen in \textit{locations.csv}. In \autoref{app:LocationParameters} zijn alle parameters weergegeven. Deze namen dienen gebruikt te worden als header in de *.csv file. Let op dat deze namen exact overeen moeten komen, tijdens het importeren van de gegevens wordt namelijk op de aanwezigheid van de kolommen gecontroleerd, @@ -1311,7 +1471,7 @@ \item \nameref{sec:GeometrieAanpassen} \end{enumerate} -\todo{Bernard: In public wiki, this chapter is not present +\todo{In public wiki, this chapter is not present but \nameref{sec:DAMWaternetCreator} and \nameref{sec:GeometrieAanpassen} are part of the Rekenen chapter. \nameref{sec:RRDScenarioanalyse} is not present. \\ Question 1: remove this chapter and move \nameref{sec:DAMWaternetCreator} and \nameref{sec:GeometrieAanpassen} to chapter \nameref{chp:Rekenen}?? \\ @@ -2031,14 +2191,21 @@ En DAM maakt onderscheid in \nameref{sec:Berekeningstype}: \begin{itemize}[noitemsep, nolistsep] - \item \nameref{sec:Ontwerp}, zie \nameref{sec:GeometrieAanpassen} + \item \nameref{sec:Ontwerp}, zie ook \nameref{sec:GeometrieAanpassen} \item \nameref{sec:Calamiteit} \item \nameref{sec:DAMLiveConfiguratie} \end{itemize} \section{Berekeningstype} \label{sec:Berekeningstype} +DAM kent drie berekeningstypen: +\begin{itemize}[noitemsep, nolistsep] + \item \nameref{sec:Ontwerp} + \item \nameref{sec:Calamiteit} + \item \nameref{sec:DAMLiveConfiguratie} +\end{itemize} + \subsection{Ontwerp} \label{sec:Ontwerp} Bij het berekeningstype ontwerp zijn er twee analyes mogelijk: @@ -2126,19 +2293,21 @@ \end{figure} \subsection{Schuifsterktemodellen (op materiaalniveau)} +\label{sec:Schuifsterktemodellen} DAM kan met de volgende schuifsterktemodellen rekenen: \begin{itemize} - \item \textbf{C-Phi model with dilatancy} \\ - Opgeven in soil.csv: + \item \textbf{C-Phi model} \\ + Opgeven in soils.csv: \begin{itemize} \item cohesie \item hoek van inwendige wrijving \end{itemize} - \item \textbf{Calculated undrained shear strength} \\ - Opgeven in soil.csv: + \item \textbf{Su-berekend model} \\ + Opgeven in soils.csv: \begin{itemize} - \item Undrained shear strength ratio S (in soilmaterials heet de kolom ratio Cu/Pc) - \item POP (in soilmaterials heet de kolom Pre Overburden Pressure (POP)) + \item Schuifsterkte ratio + \item Sterkte toename exponent m + \item POP \end{itemize} \end{itemize} @@ -2391,7 +2560,7 @@ \begin{appendix} -\chapter{Location parameters} +\chapter{Location parameters (locations.csv)} \label{app:LocationParameters} Onderstaande tabel geeft een overzicht van de door DAM gebruikte parameters (\textit{Name}). Daarbij is aangegeven het type van de parameter (\textit{Type}), de dimensie (\textit{Unit}), Index: DamClients/DamUI/trunk/doc/DAM UI - User manual/Pictures/Projectdata/DAMLocatieBestanden.png =================================================================== diff -u -r4366 -r4413 Binary files differ