Index: DamClients/DamUI/trunk/doc/DAM UI - User manual/DAM UI - User manual.tex =================================================================== diff -u -r5885 -r5909 --- DamClients/DamUI/trunk/doc/DAM UI - User manual/DAM UI - User manual.tex (.../DAM UI - User manual.tex) (revision 5885) +++ DamClients/DamUI/trunk/doc/DAM UI - User manual/DAM UI - User manual.tex (.../DAM UI - User manual.tex) (revision 5909) @@ -1108,7 +1108,7 @@ Zowel een 1D- als een 2D-ondergrondopbouw wordt binnen DAM gecombineerd met de bijbehorende dwarsprofielgeometrie om zo te komen tot het eigelijke rekenprofiel. Bij het combineren is altijd de dwarsprofielgeometrie leidend voor het vaststellen van zowel de begrenzing aan de linker- en rechterzijde als voor -wat betreft de uiteindelijke bovenzijde van het rekenprofiel (zie ). +wat betreft de uiteindelijke bovenzijde van het rekenprofiel (zie \autoref{sec:CombinerenProfielen}). \subsubsection{1D ondergrondschematiserings} \label{sec:1DOndergrondschematiserings} @@ -1212,97 +1212,49 @@ Dus naar boven voor de dijkgeometrie en naar beneden om een (eventuele) diepe glijcirkel te kunnen vinden. \subsection{Combineren dwarsprofielgeometrie met ondergrondschematisering} +\label{sec:CombinerenProfielen} Uitgangspunt voor het combineren van een dwarsprofielgeometrie met een ondergrondschematiserings is dat beide alleen valide data bevatten. Het doel van de combinatie is het samenstellen van het uiteindelijk door te rekenen 2D-profiel (= 2D-geometrie + laaginformatie). -Om het combineren toe te lichten volgen er nu eerst een aantal belangrijke definities. - \subsubsection{Definities geometrie van een dwarsprofielgeometrie} De geometrie van een dwarsprofielgeometrie bestaat uit een reeks van punten. Binnen het gegeven lokale X-Z assenstelsel moeten de X-coördinaten stringent oplopend (dus van links naar rechts) te zijn. Teruglopende X-coördinaten alsmede gelijke X-coördinaten mogen dus niet voorkomen. +De geldige geometrie dient te zijn opgegven in de surfacelines.csv en de bijbehorende characteristicpoints.csv files. \subsubsection{Definities 1D ondergrondschematisering} Een 1D ondergrondschematisering bestaat uit een rij naar de diepte toe afnemende waarden voor laaghoogtes. De eerste waarde is hierbij de bovenkant van de toplaag, de 2e waarde de bovenkant van de 2e laag en hiermee de onderkant van de toplaag enz. In principe volstaat slechts 1 waarde (voor bovenkant toplaag) omdat DAM automatisch een laag op 20 meter onder het laagst opgegeven niveau toevoegt. -Per laag dient de naam van het laagmateriaal te zijn gespecificeerd. Deze naammoet gelijk zijn aan 1 materiaal met eigenschappen zoals deze elders zijn vastgelegd, +Per laag dient de naam van het laagmateriaal te zijn gespecificeerd. Deze naam moet gelijk zijn aan 1 materiaal met eigenschappen zoals deze elders zijn vastgelegd. + +De geometrie zelf dient te zijn opgegven in de soilprofiles.csv en de bijbehorende materialen en eigenschappen in de soils.csv files. \subsubsection{Definities 2D ondergrondschematisering} -Om het combineren toe te lichten volgen er nu eerst een aantal belangrijke definities ten aanzien van de geometrie van de 2D-ondergrondschematisering: -\begin{itemize} - \item \textit{point}: is een punt met twee coördinaten, een X- en Z-coördinaat. - \item \textit{curve}: is een lijnstuk bestaande uit twee punten (points). - \item \textit{loop}: is een gesloten ring van lijnstukken (curves). - \item \textit{surface}: is een vlak met 1 outerloop (een omhullende loop) en 0 of meerdere innerloops (een geheel binnen een outerloop vallende loop). -\end{itemize} +Een 2D ondergrondschematisering wordt gelezen vanuit een stix file. Deze stix-file dient een geldige geometrie te bevatten. +Ook dienen de material namen zoals ze zijn toegekend aan de lagen in de stix-file overeen te komen met materiaalnamen met eigenschappen zoals deze elders zijn vastgelegd. -Elk punt, lijnstuk, loop en surface is uniek. -Elk punt kan in meerdere lijnstukken (en dus loops en surfaces) voorkomen. -Elk lijnstuk kan in meerdere loops (en dus surfaces) voorkomen. -Elke loop (en dus ook surface) mag slechts 1 maal voorkomen. -Elke innerloop moet geheel binnen de outerloop vallen en mag deze ook nergens raken. -Een innerloop kan alleen punten gemeen hebben met mogelijk andere innerloops in hetzelfde vlak. -Een innerloop kan alleen lijnstukken gemeen hebben met mogelijke andere innerloops in hetzelfde vlak. +De namen van de te gebruiken stixfiles dienen opgegven te worden in de segments.csv en de bijbehorende materialen en eigenschappen in de soils.csv files. -Een geldige geometrie bevat: -\begin{itemize} - \item minimaal 1 surface met minimaal 1 geldige outerloop. - \item alleen de loop(s) die daadwerkelijk in gebruik zijn als outerloop of 1 van de inner loops van een surface. - \item alleen lijnstukken die daadwerkelijk in gebruik zijn in een outerloop of innerloop. - \item alleen punten die daadwerkelijk in gebruik zijn in een lijnstuk. -\end{itemize} - -Een punt is alleen geldig indien beide coördinaten bekend zijn en niet samenvalt met een ander punt. -Een lijnstuk is alleen geldig indien deze twee verschillende bestaande punten bevat en niet samenvalt met een ander lijnstuk. -Let er hierbij op dat de volgorde van de twee punten er niet toe doet (A.p1 = B.p1 en A.p2 = B.p2 is gelijk aan A.p1 = B.p2 en A.p2 = B.p1). - -Een loop is alleen geldig indien: -\begin{itemize} - \item er minimaal 3 niet samenvallende bestaande lijnstukken zijn (er sprake is van een omsloten gebied). - \item deze niet doorsneden wordt door andere lijnstukken en/of loops. - \item geen samenvallende lijnstukken bevat. -\end{itemize} - -\subsubsection{Combineren dwarsprofielgeometrie met 1D-ondergrondschematisering} +\subsubsection{Combineren dwarsprofielgeometrie met 1D- of 2D-ondergrondschematisering} Middels het combineren dwarsprofielgeometrie met 1D-ondergrondschematisering onstaat het eigenlijke rekenprofiel. Dit rekenprofiel is een 2D-profiel dat bestaat uit een 2D-geometrie en aanvullende informatie ten aanzien van de gegenereerde surfaces. -Indien de dwarsprofielgeometrie geheel onder de 1D-ondergrondschematisering ligt, kan er geen combinatie worden gemaakt. +Indien de dwarsprofielgeometrie geheel onder de ondergrondschematisering ligt, kan er geen combinatie worden gemaakt. Een berekening kan voor deze situatie niet worden gemaakt en er volgt een foutmelding. Deze foutmelding zal het gehele DAM-proces niet onderbreken, de melding komt in de logfile te staan. -Voor het samenvoegen van een dwarsprofielgeometrie met 1D-ondergrondschematisering is de dwarsprofielgeometrie leidend. +Voor het samenvoegen van een dwarsprofielgeometrie met ondergrondschematisering is de dwarsprofielgeometrie leidend. Hieruit volgt de linker begrenzing (X-coördinaat van het 1e punt in de dwarsprofielgeometrie) van de te maken 2D-geometrie. Ook volgt hieruit de rechter begrenzing (X-coördinaat van het laatste punt in de dwarsprofielgeometrie) van de te maken 2D-geometrie. -Het proces bestaat uit: -\begin{itemize} - \item Maak een volledige kopie (clone) van zowel de 1D-ondergrondschematisering als de dwarsprofielgeometrie om te voorkomen dat de originele data wordt veranderd. - \item Voer vervolgens alle vervolgstappen uit op de kopieen. - \item Voeg boven de originele toplaag van de 1D-ondergrondschematisering een hele dikke laag met het opgegeven dijksmateriaal toe. - \item Voeg zonodig aan de onderkant de 1D-ondergrondschematisering een 20 m dikke laag met het materiaal van de erboven gelegen laag toe. - \item Bepaal alle snijpunten van de de dwarsprofielgeometrie met de 1D-ondergrondschematisering. - \item Stop alle snijpunten met alle punten van de dwarsprofielgeometrie in 1 lijst van punten, gesorteerd op X-coördinaat. - \item Maak met die lijst en de 1D-ondergrondschematisering een lijst van nieuwe 2D-lagen aan (4 punts lagen voor alle lagen onder dwarsprofielgeometrie, - meerpuntslagen voor de 1D-lagen die doorsneden worden door de dwarsprofielgeometrie, alles boven de dwarsprofielgeometrie wordt genegeerd). - Elke 2D-laag bevat naast de punten, lijnstukken, loop en surface ook de overige laaginformatie (IsAquifer, materiaal, WaterpressureInterpolationModel) - \item Maak een lege 2D-geometrie aan. - \item Stel de linker en rechter begrenzing in van deze 2D-geometrie. - \item Stel de bodem begrenzing in van deze 2D-geometrie. - \item Voeg de lijst met gesorteerde snijpunten en dwarsprofielgeometrie puntene toe aan de 2D-geometrie als NewlyEffectedPoints, NewlyEffectedCurves. - \item Voeg de lijst met 2D-lagen toe aan de 2D-geometrie (voorkom dubbele punten en lijnstukken!) als NewlyEffectedPoints, NewlyEffectedCurves. - \item Genereer de 2D-geometrie op basis van de begrenzingen en "nieuwe" punten en lijnstukken. - \item Voeg alle laageigenschappen toe aan de gegenereerde surfaces van de nieuwe 2D-geometrie aan de hand van de 2D-lagen lijst. - \item Maak een nieuwe 2D-porfiel aan. - \item Voeg de 2D-geometrie toe aan het 2D-profiel. - \item Voeg tenslotte alle 2D lagen (surfaces met info) toe aan het 2D-profiel. -\end{itemize} +Een speciale optie bij het combineren van 2D-ondergrondschematiseringen is het mogelijk gebruik van een oorsprong-correctie op de geometrie zoals deze in de stix file staat. +Middels het opgeven van een waarde in meters voor \textit{x\_soilgeometry2D\_origin} (in de locations.csv) kan de gehele geometrie met die waarde in X-richting worden verschoven. +Bijvoorbeeld als de originele geometrie begint op -50 (in de stix file), kan deze naar 0 worden opgeschoven door een x\_soilgeometry2D\_origin = 50 op te geven. +x\_soilgeometry2D\_origin mag zowel positieve als negatieve waarden bevatten. -Het resulterende 2D-profiel kan nooit innerloops bevatten en heeft minimaal 1 geldige surface met bijbehorende laaginformatie. - \subsection{Locatie ondergrondsegmenten} \label{sec:LocatieOndergrondsegmenten} De ruimtelijke ligging van de segmenten wordt vastgelegd in de \textit{LocationSegments.csv}.